12 januari, 2026

Leon Verraest over hun verovering van de taal

Tekst en interview: Tim Thomaes

 

Leon Verraest is schrijver en nam deel aan een speciale editie van Dans! Dichter! Dans!, waarbij we in samenwerking met Teletext oude Antwerpse liedteksten herinterpreteerden. Leon bracht ook een fragment uit hun roman die ze nog aan het schrijven zijn. We spreken af in een bruin café in Brussel waar Leon kind aan huis is.

 

Hoe gaat het met je?

Goed!

 

Je hebt volgens mij een redelijk uniek profiel in Vlaanderen voor een schrijver, in die zin dat je ook in het Engels schrijft, over thema’s als ‘identiteit’ en ‘horen bij een volk’, maar je mixt dat met jouw eigen ervaring die typisch Vlaams is. Voelt het ook echt als jouw stijl, of heb je het gevoel dat je daar nog mee moet experimenteren?

Ik denk dat het voorbarig is om over een eigen stijl te spreken, omdat mijn debuut nog niet uit is.

 

Je hebt toch al een novelle geschreven?

Ik denk dat ik niet zo hou van veralgemenende conclusies, omdat je daarmee de mogelijkheden inperkt. Wie weet wat mijn volgende boek zal zijn. Maar mijn debuut ben ik in het Nederlands aan het schrijven, en is bijna af. In het Engels was dat niet gelukt.

 

Waarom niet?

Het is een coming-of-ageverhaal over een West-Vlaams meisje dat in de jaren 1990 en begin 2000 opgroeit met haar moeder in een sociale woonwijk op de Belgische taalgrens. Een wijk waar er hoofdzakelijk West-Vlaams wordt gesproken — als er al gesproken wordt. Als het vinden van je eigen taal en stem deel uitmaakt van opgroeien, hoe doe je dat te midden van de zwijgzaamheid van de arbeidersklasse? Hoe doe je dat als je moedertaal een dialect is voor tweederangsburgers, de standaardtaal jou vreemd is en spreken en taal gebukt gaan onder schaamte? In die zin is het in de eerste plaats voor een Nederlandstalig publiek bedoeld, omdat het onder andere gaat over die hiërarchieën tussen talen en varianten in ons taalgebied. Tegelijk probeer ik een sprookjesachtig West-Vlaanderen neer te zetten uit een verzonnen volksverhaal. Een rivierdorp dat eender waar had kunnen zijn. Ik hoop dat er zo een wereld ontstaat die iets zegt over talen, grenzen en normen, en over groeien en anders-zijn in het algemeen. Iets dat ook ver buiten de Nederlandstalige context relevant is. Maar die streekgebonden taalvarianten had ik dus niet in het Engels kunnen schrijven. De reden waarom ik soms wel in het Engels schrijf, is omdat het net zo’n vreemde taal is voor mij als het Nederlands. Ik ben opgegroeid met het West-Vlaams, een taal die niet gestandaardiseerd is, en sterk afwijkt van het Standaardnederlands. Ik heb mij dus altijd moeten conformeren naar het Nederlands als een vreemde taal, één waar in het onmogelijk leek om mezelf te zijn en waar ik weinig toegang toe had, maar waar bijvoorbeeld wel literatuur gebeurt. Mijn debuut is een fictieverhaal dat is geïnspireerd op mijn eigen verhaal, en op mijn manier een initiatieritueel in de Nederlandse literatuur als West-Vlaming.

 

Kunnen we in je roman de manier van vertellen uit je novelle herkennen?

Ik denk het wel. Dat is interessant, want ik schreef de novelle aanvankelijk in het Engels. Ze is gepubliceerd in Failbetter Magazine. Daarna vertaalde ik ze zelf naar het Nederlands. Het resultaat daarvan kun je teruglezen in de DEMarrage van Deus Ex Machina. Veel van wat ik daar probeer, is uiteindelijk voor de roman zeer nuttig gebleken.

 

Was het een oefening?

Nee, want alles en niets is een oefening, maar het heeft wel de weg voorbereid.


Wat heb je geschreven voordat je de novelle uitbracht?

In het Nederlands is er, denk ik, maar één kort verhaal van me gepubliceerd, in het Engels veel meer. Ook poëzie en essays. Ik heb veel ongepubliceerd werk in beide talen.

 

Wil je daar iets mee doen?
Met sommige wel, sommige niet. Ik heb ook onafgewerkte romans in beide talen.

 

Los van het Engels, hoe heb je die stijl van je novelle uiteindelijk gevonden? Schreef je al zo sinds het begin, of is het geëvolueerd?

Het eerlijke antwoord: ik denk dat het heel intuïtief is gebeurd. De stijl is heel spreektalig, dus het was een zoektocht naar taal, zeker in het Nederlands heeft dat er waarschijnlijk voor een deel mee te maken. Ik moest zoeken naar een manier van uitdrukken die voor mij, voor iemand van mijn achtergrond, ‘waar’ klinkt, maar tegelijk leesbaar blijft voor anderen. Een taal die voldoet aan de vereisten van de begrijpelijkheid, en aan mijn vereisten.

 

Je hebt internationale erkenning gekregen voor je verhalen. Krijg je los van die instanties ook veel reacties van lezers buiten Vlaanderen?

In het algemeen krijg ik, behalve van medeschrijvers of mensen in het veld, weinig directe reactie. Dat is niet anders binnen of buiten België. Wat ik wel supertof vind om te merken, is dat ik de meeste reacties krijg als ik delen van de roman voordraag, zoals bij Dans! Dichter! Dans!. Het mooiste is dat mensen er hun eigen verhaal in horen. Mensen herkennen zich plots in iets dat ik zeg, en delen met mij momenten uit hun eigen leven waarop ze zich in stilte schaamden om hun taal. Er bestaan hiërarchieën tussen talen en varianten en er wordt aan sociale uitsluiting gedaan via de taal. Literatuur is maar één plek waar zo’n uitsluiting gebeurt. Onlangs droeg ik een stuk voor uit de roman in Engeland, en daarna zou iemand mij interviewen. Ik had toen voorgesteld om in plaats daarvan in een kring te zitten, en mensen in het publiek hun verhaal te laten delen. Dat was de max. Iemand omschreef het achteraf als een collectieve therapiesessie. Maar behalve tijdens dat soort evenementen krijg ik weinig reacties.

 

Merk je dat Vlaamse lezers op andere dingen letten dan niet-Vlaamse lezers?

De meeste Engelstalige lezers die ik ken, zijn zelf ook schrijvers. Zij lijken meer bezig te zijn met ‘narrative voice’ of ‘vertelstem’. Misschien is dat ook wat jij bedoelde met ‘stijl’. De Angelsaksische literatuur is ver geprofessionaliseerd, ook aan universiteiten. Veel mensen doen daar een schrijfopleiding. Als je daar ‘voice‘ zegt, betekent dat iets anders dan ‘style‘. Bij ons is dat onderscheid minder duidelijk, denk ik soms. Een voorbeeld om het concreter te maken: George Saunders heeft een kort verhaal geschreven in de stem van een tienermeisje dat ballet doet, ‘Victory Lap’. Hij is een man van in de vijftig en zijn verteller had dat ook kunnen zijn, maar het hele verhaal is in de stem van dat meisje. De woordkeuze, de zinswendingen: alles is typisch tiener, en typisch dié tiener, geobsedeerd door haar leefwereld, het centrum van haar eigen universum. Daar zijn Engelstalige lezers misschien meer mee bezig dan Nederlandstalige lezers. Dat lijkt althans zo als ik teksten over literatuur lees. Ik hou zelf van heel uitgesproken vertelstemmen. Ik vind het fijn als een stem durft af te wijken, niet alleen van de standaardtaal, maar ook van een soort algemene literaire taal, een esthetisch verantwoorde taal (maakt cirkelende handgebaren). In de Engelstalige wereld is daar veel appreciatie voor. In de Nederlandse misschien ook, maar hier wordt het volgens mij minder geëxpliciteerd.

 

Welke schrijvers vind je goed?

Omdat ik net George Saunders vermeld heb, wil ik graag zijn vrouw Paula Saunders vermelden, een geweldige auteur. Zij was de grote belofte toen ze samen aan Syracuse studeerden, maar ze is tijdens de gezinsjaren, zoals dat vaker met vrouwen dan met mannen gebeurt, zonder boek gebleven. Haar debuut is er pas gekomen nadat hun kinderen het huis uit waren. Ik heb ook graag het boek ‘Wit is altijd schoon’ van Leo Pleysier gelezen. Dat is geschreven met een heel uitgesproken vertelstem. Vorig jaar las ik ‘Tupamadre’ van L. Etchart, dat vond ik ook heel goed. Het is bewust geschreven in een afwijkend Frans, het Frans van politieke vluchtelingen uit Uruguay.

 

Je hebt vorig jaar een residentie gekregen via Passa Porta, waardoor je in Norwich hebt kunnen schrijven. Hoe was dat?

Supertof (lacht).

 

Heb je veel geschreven?

Eigenlijk wel. Schrijven is niet altijd woorden op papier hè. Ik heb grote stappen gezet.

 

Hoe staat het met je debuutroman?

Het ligt er eigenlijk al. Ik ben nu bijna klaar met de tweede draft.


Is het een dik boek?

Ik vind het moeilijk om te zeggen. Ik ga dat pas zien als het uitgegeven is. Het zijn allemaal korte hoofdstukjes, dus het hangt ervan af hoe ze het op papier gaan zetten. Ik zou het liefst elk hoofdstukje op een nieuwe pagina laten beginnen, maar soms zijn er maar hoofdstukjes van één zin. Ik hou van dat onafgewerkte. Dat creëert een soort van ritme, een onaf gevoel, zoals het leven, terwijl er toch veel structuur in zit, ook al lijkt dat niet zo. Ik denk ook dat ik een te lineair verhaal zonder rafelrandjes minder geloofwaardig vind.

 

Je hebt een tijd geleden je naam veranderd. Heb je het gevoel dat je schrijfstijl daar ook mee verandert?

Nee, maar eerlijkheid over mijn gender heeft wel een grotere eerlijkheid met mezelf mogelijk gemaakt in het algemeen. En dat komt mij als schrijver ten goede. Ik kan eerlijker zijn met mezelf dan vroeger. Dat merk ik als ik schrijf.

 

Waar merk je dat aan? Gaat het vlotter, meer intuïtief?

Nee, het gaat niet om vlotter schrijven. Het gaat erom dat ik nu toegang heb tot eerlijke informatie waar ik vroeger geen toegang toe had. Ik voel me meer op mijn gemak met mezelf. Ik hield vroeger iets redelijk fundamenteels over mezelf verborgen: dat ik me geen vrouw voel. Ik moest dat geheim te allen prijze bewaren. Dat sloot de toegang af tot hele stukken van mezelf, van mijn bewustzijn. Er waren veel plekken in mezelf waar ik niet naartoe mocht. Nu kan ik meer plekken in mezelf bereiken, wat het gemakkelijker maakt om een bewustzijn neer te zetten, ook dat van iemand anders. Het heeft te maken met introspectie. Via een personage krijg je toegang tot een sequentie van gevoelens en gedachten. In het leven heb je ook steeds in mindere of meerdere mate toegang tot die gevoelens en gedachten. Die wegversperring is niet eigen aan trans zijn alleen. Trauma werkt ook op die manier, denk ik. Het sluit ook de toegang tot bepaalde informatie af.

 

Waar hoor jij bij?

Dat is een beetje een pijnpunt. Ik denk dat kunstenaars dat gevoel vaak delen. Ik had dat al toen ik klein was: het gevoel dat ik er niet echt bij hoorde. Dat klinkt vaag, maar dat gevoel was ook zo vaag. Als je me toen die vraag had gesteld, had ik ook niet kunnen zeggen waarbij. Dat gevoel is altijd gebleven. Maar de laatste jaren werk ik bewust aan het creëren van werelden waarin ik thuis ben. Dat werpt zijn vruchten af, maar het blijft dagelijks werk. Ik heb het gevoel dat ik dat moet blijven creëren, dat het niet zomaar bestaat. Dat er geen onvoorwaardelijke thuis of grote thuiskomst is. Wat ik wel heb ontdekt: als je durft toegeven aan jezelf dat de grote thuiskomst nooit zal gebeuren, en blijft werken aan werelden waarin je thuis kan zijn, dan zijn er wel heel veel kleine thuiskomsten mogelijk. Dat ontroert me. Ik heb het grote geluk dat ik goed omgeven ben door de mensen rondom me. De laatste jaren snap ik de werelden waaraan we samen werken, en waarin we allemaal een beetje thuis horen, beter dan vroeger.


Hoe zou je die wereld omschrijven?

Veel van de woorden die we daarvoor gebruiken zijn normatief ingevuld. ‘Thuis’ is zo’n woord. ‘Familie’ ook. Dat is gekoppeld aan biologische context, en aan een kerngezin. Meestal noem ik het familie, maar het is een gebrekkig woord. Shit!

 

Ga je veel naar open mic’s?

In Norwich deed ik dat veel. De laatste tijd niet meer, hoewel ik het heel tof vind.


Doe je zelf graag mee aan open mic’s, of ben je iemand die liever meteen een eigen voorstelling maakt?

Ik sta altijd graag op het podium, maar ik zit ook graag in het publiek. Ik heb wel al lang het gevoel dat ik met het materiaal van de roman iets voor podium wil maken. Het leent zich ervoor, omdat het spreektalig is, en er dialect in zit. Dat is er nog niet van gekomen, maar ik denk dat ik wacht tot het boek er is.

 

Zou het iets zijn met muziek?

Ik weet nog niet goed wat, maar misschien. Ik wil in elk geval iets. Medewerkers mogen zich aandienen; ik kan dit niet alleen.


Bestaat er voor jou een podiumheld?

Oh, toffe vraag. (Denkt na.) Tig Notaro vind ik wel goed. Maar twee van mijn vrienden zijn ook performers waar ik naar opkijk: Loucka Fiagan en Mathieu Hendrickx zijn bezig met tekst, muziek en beweging op heel verschillende manieren.


Ben je nog bezig met andere projecten, of komen er nog projecten aan?

Behalve dat, zou ik qua podium eigenlijk graag nog eens willen modereren en avonden presenteren. Vroeger deed ik dat vaak. Ik interviewde dan schrijvers, totdat ik doorhad dat ik zelf wilde schrijven en als schrijver geïnterviewd wilde worden. Maar eigenlijk vind ik het heel fijn om vragen te stellen aan mensen, dus ik zou dat graag weer doen af en toe. Als je het echt goed doet, is dat ook magisch: de juiste mensen samenzetten. Sinds corona is het ook heel duidelijk wat die fysieke aanwezigheid in een ruimte doet; wat een gewoon, mooi heart-to-heart gesprek kan betekenen. Ik heb al momenten meegemaakt waarbij ik verrast was door mooie ontmoetingen. Ik voel me ook heel comfortabel in de rol van iemand die vragen stelt. Er zijn mensen die dat ongemakkelijk vinden, maar ik doe dat heel graag in het dagelijks leven. Ik ben ook heel nieuwsgierig. Mensen voelen het wanneer je op een open manier een vraag stelt. Dan krijg je echte ontmoetingen. Ik denk dat ik daarom ook van het podium hou, het is zo anders dan schrijven. Wat op het podium gebeurt, gebeurt in het moment. Soms is dat interessant, soms niet, maar het is altijd echt. Ik vind dat zo boeiend.


Je houdt van authenticiteit?

Eigenlijk meer van contingentie, het toeval van het moment dat dingen bepaalt. Op een podium wordt het heel duidelijk dat je niet alles controleert. De meest magische dingen zijn de gebeurtenissen die je niet bewust orkestreert. (Kijkt naar horloge).

 

Ik wil graag nog wat vragen over Dans! Dichter! Dans!

Ja, sorry, ik keek naar mijn horloge, niet om het uur te zien, maar het was al meer dan een half jaar plat, en nu tikt hij opnieuw.

 

Contingentie.
Haha ja, wat was je vraag ook alweer?

 

Je hebt in 2023 een traject gevolgd voor een literair-muzikaal project met Dans! Dichter! Dans! en Teletext, hoe kijk je daar op terug?

Ik had toen zeer veel pijn en heb enorm afgezien tijdens de repetities en opnames. Tegen het moment van het optreden was het al een pak beter, maar het was het begin van een serieuze gezondheidscrisis. Maar ik herinner me ook een soort van sprong in het ongewisse die ik zeer aangenaam vond. Ik vond het enorm fijn om met muzikanten op het podium te staan. Het heeft mijn tekst veranderd, en de manier waarop ik hem breng. Veel meer dan tijdens de repetitie, kon ik op het moment zelf aanvoelen wat er gebeurde. Het was tof dat ik dat niet alleen bepaalde, maar samen met de muzikanten en het publiek. Dat vond ik magisch.

 

Luister je naar muziek terwijl je schrijft?

Soms wel. Het belangrijkste is dat het achtergrond wordt. Als het te veel op de voorgrond treedt, dan gaat het niet. Ik hou van de ruis. Het neemt ook druk weg van het schrijven, omdat je eigenlijk constant afgeleid kan zijn. Ik vind het ook gewoon gezellig. Misschien word ik er graag aan herinnerd dat ik niet alles kan controleren, in het leven niet en in het schrijven niet. De aanwezigheid van muziek en rumoer herinnert me daaraan en dat vertaalt zich gemakkelijk naar schrijven. Je kan het niet controleren, dus dan laat je het een beetje los.

 

Wat zou je willen doen als je onbeperkte middelen had?

Ik heb niet echt een droomproject, maar ik denk dat ik veel meer zou trakteren aan iedereen. Ik ben eigenlijk al in grote mate aan het doen wat ik graag wil doen. Ik ben aan het schrijven, doe dat oprecht heel graag, en dat geeft mij veel vreugde. Het lijkt me fijn om dat te kunnen blijven doen. Ik ben wel iemand die irrationeel veel panikeert over geld, dus mocht iemand mij onbeperkte middelen geven, dan zou die paniek volledig verdwijnen. Maar fundamenteel zou er niet veel aan mijn leven veranderen, behalve dat ik meer vrijheid zou hebben. Ik zou graag creatief bezig willen blijven, en in de twee talen blijven schrijven. Ik reis ook wel graag. Een deel van mijn leven speelt zich de laatste tijd af in Engeland. Ik zou het fijn vinden om dat te kunnen blijven doen, mij te blijven omgeven met de mensen die ik graag zie, ook als ze elders wonen. Dat is de droom van iedereen zeker?

 

Wat is er in Engeland wat jou aantrekt?

Ik ben de laatste tijd veel naar Folkestone geweest, en naar Londen. De leuke mensen trekken me aan. En in het geval van Folkestone de zee. Misschien heeft het een beetje te maken met het creëren van werelden waar ik thuis kan komen. Folkestone is zo’n plek geworden.

 

Voel je je daar meer jezelf dan in Brussel?

Nee, het gaat niet om de plek zelf. Sinds ik doorheb dat ik zelf mijn wereld kan en mag en moet vormgeven, besef ik ook: dat hoeft niet op de manier zoals de maatschappij dat voorschrijft. Het mag verspreid zijn over meerdere plaatsen. Je familie hoeft niet alleen biologisch te zijn. Je mag een gemeenschap samenstellen op de manier die juist voelt voor jou, los van of dat ‘normaal’ is of niet. De laatste keer dat ik in Folkestone was, heb ik veel tijd doorgebracht met de pasgeboren tweeling van een vriendin. Ze waren net een maand oud, en konden de hulp gebruiken. Dat was mooi, om zo vroeg al in hun leven te zijn. Zei ik al dat ik goed omgeven ben?

 

Bedankt voor dit interview. Is er nog iets dat je kwijt wil of waar je reclame voor wil maken?

Ik weet nog niet wanneer mijn boek uitkomt, maar als er mensen zijn met podiumideeën na het lezen van de voorpublicaties in Vloed, nY of Flemish Review de la Poëzie – die laatste twee komen er binnenkort aan – mogen ze zich melden via Instagram @leonsofieverraest, of op leonverraest@gmail.com.