12 oktober, 2025

Interview met Louky van Eijkelenburg:
‘Ik kan een hoop zeiken over theater, maar ik zit heel graag in de zaal.’

Tekst en interview Tim Thomaes

 

Ik interview Louky bij haar thuis in Molenbeek. Ze is net verhuisd naar een nieuwe studio met een mooie tuin. Het wordt een gesprek over haar oude, huidige en toekomstige projecten, hoe schrijven voor papier, spoken word en theater zich tot elkaar verhouden, en feminisme.

 

Je bent onlangs verhuisd, maar wel in Molenbeek gebleven. Hoe bevalt het hier?

Goed! Ik ben inmiddels wel gesetteld.

 

Je komt oorspronkelijk niet uit België, toch?

Nee, ik ben opgegroeid in Haarlem. Veel vrienden van daar zijn nu vertrokken naar Amsterdam.

 

Niks voor jou?

Nee, ik vind Amsterdam echt niks, veel te hip voor mij. Alleen al het feit dat je voor een kamer rustig €1000 betaalt… Dat zorgt voor ongelijkheid, de stad is niet van iedereen. In Brussel is dat wel zo. Amsterdam heeft een bepaalde air, het is daar zien en gezien worden.

 

Amsterdam is inderdaad heel ‘functioneel’.

Ja, en in Brussel functioneert niks, maar ook weer wel. (Lacht)

 

Ik zie dat je een digitale piano hebt staan. Speel je?

Ja, hij is van mij, maar mijn huisgenoot speelt er eigenlijk meer op dan ik.

 

Speel je ook van bladmuziek?

Een beetje, maar ik ben er nooit een held in geweest. Ik speelde vroeger best goed, maar ik oefen te weinig, het is best pijnlijk om het dan weer op te pakken, omdat je weet dat je beter kon. Ik heb toevallig vanochtend weer gespeeld, ineens ben je dan twee uur verder, dat doet goed.

 

Met welke projecten ben je momenteel bezig?

Ik ben met van alles bezig. Ik heb onlangs iets geschreven voor Deus Ex Machina en Etctera, ik organiseer een event voor Hyster-X bij het M HKA in Antwerpen en ik mag als dramaturg meedenken aan een voorstelling van het jongleer-muziektheater collectief Sounds Like Juggling.  Daarnaast werk ik als regieassistent bij Opera Vlaanderen en ik ben een stuk aan het schrijven voor Theater Arsenaal dat af moet zijn in de zomer van 2026. In het voorjaar van 2027 komt het op de planken. Bij Arsenaal heb ik een kantoortje waar ik kan schrijven. Het liefst zou ik daar elke dag zitten, maar in de realiteit schiet dat er vaak bij in. Er zijn natuurlijk ook nog altijd een hele hoop niet-artistieke zaken, mails en zo.

 

Kun je al iets over vertellen over dat stuk bij Theater Arsenaal?

Ja, het gaat over de betekenis van het leven. Dat is natuurlijk een mega-onderwerp. Ik heb het verpakt in een serie dialogen tussen twee zussen waarvan de één zegt dat ze niet meer wil leven. Naast een antwoord op de grote levensvragen zoek ik ook naar een mooie dynamiek tussen de zussen, een vertrouwdheid waarmee ze met elkaar omgaan, de banaliteiten van het alledaagse leven, al die zaken. Het is belangrijk dat dit samen gaat. Praten over de dood terwijl je tiramisu uit een bakje eet, daar zit humor in en dat is belangrijk, anders wordt het te zwaar.

 

Was er een aanleiding om dat te schrijven?

Ik schrijf over zaken die me bezighouden. Op het moment dat ik merk dat iets niet enkel in mijn eigen belevingswereld, maar ook buiten mijn kringen speelt, dan weet ik dat ik iets te pakken heb.

Momenteel ben ik veel bezig met zingeving en de dood, mijn zusje heeft twee jaar geleden zelfmoord gepleegd dus dan moet je daar iets mee, of je het nou wil of niet. Het stuk is in geen enkel opzicht autobiografisch, maar de mensen die me goed kennen zullen bepaalde thema’s wel herkennen.

 

Tegenwoordig wordt er veel gesproken over AI als middel tegen eenzaamheid. Hoe kijk jij daar naar?

Ik voel echt een afkeer tegenover AI. Het is slecht voor het milieu en ik heb een hekel aan big tech. Op Antwerpen Centraal hing lange tijd een reclame voor Uber Eats, de komkommers zagen er fake uit, het maakt me gek dat ik dan niet zeker weet of dat AI is of niet. Daar zit een vertrouwensbreuk, ik word gedwongen om de realiteit die ik waarneem in twijfel te trekken, ik denk dat ik daar het meeste moeite mee heb.

Large language models zoals ChatGPT echoën vooral wat ze binnenkrijgen, het gesprek is eenzijdig. Misschien dat het een tijdelijke compagnon kan zijn, maar op den duur raak je volgens mij alleen maar verder verwijderd van de wereld. Ik heb over AI een stuk geschreven dat binnenkort verschijnt in een zine van Pardon. Kort samengevat: AI vormt vooral een bedreiging tegenover mijn zingeving als kunstenaar. Als alles wat ik doe ook door AI gedaan zou kunnen worden, wat zegt dat dan over mij? Ik kan me er echt boos om maken.

 

Speelt het een rol in je stuk?

Misschien gaat het wel een rol spelen bij een jonger personage in dat stuk. Eenzaamheid is een belangrijk thema, maar het wordt geen sci-fi AI voorstelling.

 

Hoe is het om te werken als regieassistent voor een operavoorstelling?

Ik vind de opera als ‘machine’ enorm fascinerend. Het is indrukwekkend hoe alle verschillende onderdelen samenkomen. Het grappige is dat iedereen aan hetzelfde stuk werkt, maar het totaal anders beleeft. Als regieassistent ben ik vooral bezig met wie waar staat, wat de intenties zijn en welke consequenties het heeft zodra er iets wordt aangepast. De koorzangers zijn gefocust op hun stukje muziek en de mensen van de rekwisieten denken: ‘oké, daar moet een stoel staan’. Zo kijkt iedereen met zijn eigen blik.

 

Vanuit de regie moet je dan wel het hele overzicht bewaren, neem ik aan.

Dat is de bedoeling, ja. Het is veel, maar ik vind het heel leuk werk. Ik heb nu bij een paar producties meegedaan: een stage in Amsterdam, een project in Utrecht, en Intolleranza bij Opera Vlaanderen. Uiteindelijk is het een soort invulboekje: je hebt je bladmuziek aan de ene kant en je plattegrond aan de andere, en je vult in wie wat wanneer doet. In Utrecht had ik een regisseur die de hele voorstelling met poppetjes in een miniatuurdecor had uitgewerkt.

 

Wat vind je van spoken word?

Ik moet bij ‘spoken word’ vooral denken aan slam poetry, een specifieke manier van praten met een eigen ritme en een aantal onverwachte pauzes. Dat vind ik interessant voor 3 minuten, maar het lijkt me lastig om daar een lang verhaal mee te vertellen of een voorstelling mee te maken. Lisette Ma Neza doet dat trouwens wel heel goed. Als ‘spoken word’ betekent dat je teksten performt, dan doe ik dat regelmatig, veelal met muziek zoals bij Dans! Dichter! Dans! Tot 2019 maakte ik een soort sprookjes voor volwassenen op muziek onder de naam ‘Nachtelijk Gespuis’, samen met een hele goede vriend uit Arnhem. In 2024 hebben we daar een cafévoorstelling van gemaakt. Ik vind het fijn om teksten op muziek te schrijven en samen te werken met muzikanten.

 

Je schrijft ook teksten voor papier. Hoe weet je wanneer een tekst voor het podium of voor papier is?

Meestal schrijf ik een tekst met een bepaald doel voor ogen, maar soms krijg ik als feedback dat een tekst die bedoeld is voor papier te performatief is. Ik ben niet zo goed in het schrijven van poëzie, ik zou daar graag beter in willen worden.

 

Je maakt dus theater, muziektheater en teksten voor papier. Zit daar een bepaalde hiërarchie in voor jou?
Ik maak het liefst theater, omdat daar alles samenkomt, maar alles wat ik doe of maak begint met tekst. Het doel is om een verhaal te vertellen. Ik beschouw mezelf niet als muzikant. De echte muzikanten zijn heel erg bezig met geluid en klank, ik ben minder auditief ingesteld. Momenteel schrijf ik een stuk over vruchtbaarheid, ik weet dat muziek daarin een belangrijke rol gaat spelen, maar ik focus me nu vooral op de tekst. Ik kan pas gaan componeren wanneer ik weet wat ik wil vertellen.

 

Vertel eens over dat project?

Ik wil graag een stuk maken en regisseren over de betekenis van vrouwelijkheid. Over hoe je met een vrouwelijk lichaam continue wordt geconfronteerd met het feit dat je vruchtbaar bent, dat je een lichamelijk stelsel hebt dat kinderen kan produceren. Er is tegenwoordig meer openheid over menstruatie (je ziet op veel plekken gratis tampons) en we hebben het vaker over vrouwen die bewust kinderloos blijven, ook is er meer openheid over seksueel misbruik. In mijn voorstelling zal dat allemaal samenkomen in één verhaal. Het borduurt voort op een project van het RITCS, waarvoor ik veel teksten in het Engels heb geschreven. In 2024 is er al een eerste toonmoment geweest tijden een van de work-in-progress momenten van Par Hasard.

 

Wat zou je willen maken als geld en middelen geen rol spelen?

Ik zou graag met een koor willen werken. Ik wil niet teveel shade gooien, maar ik heb opera’s gezien waar 30 of 40 man koor op het podium staat en dat staat er dan maar een beetje. Zo’n massa aan lichamen, gezichten en stemmen heeft veel potentie, het lijkt me heel tof om zo’n grote groep aan talent te regisseren. Ik zou ook graag willen samenwerken met mensen die allemaal zotte dingen kunnen die ik zelf niet kan, acrobaten bijvoorbeeld. Ik heb een bescheiden wens om me te verdiepen in circus-regie, maar ik sta daar net iets te ver vanaf voor mijn gevoel.

Daarnaast zou ik ook graag iemand willen betalen die alle organisatorische en administratieve dingen voor mij regelt.

 

Waar zie je jezelf over 5 jaar?

Ik denk dat ik nog in Brussel ben en ik hoop in het theater. Het is best een lastige wereld om in te komen, maar ik hoop dat ik na vijf jaar over de grens van mijn onzekerheid ben. Ik hoop te leven van de kunst. Dat hoeft echt niet extreem luxueus te zijn, zolang ik de huur maar kan betalen, wat kan eten en af en toe iets leuks kan doen. Ik zou één grote zaalvoorstelling willen regisseren maar ik denk niet dat dat binnen vijf jaar haalbaar is. Mijn grootste verlangen is dat wanneer ik voel dat het vuur weg is, dat ik er dan mee kap, of dat dan tijdelijk of permanent is, dat zie ik dan wel weer.

 

Mag ik daaruit concluderen dat je dat sommige kunstenaars verwijt?

Ja, ik kan me boos maken over slecht theater dat niet veel zegt. Ik heb al vrij extreme dingen gezien, dus inhoudelijk kan ik veel hebben, maar ik kan echt boos worden op theatermakers die middelen hebben en werken met capabele artiesten, zonder dat daar een sterk resultaat uit komt. Ik merk dat soms bij grotere namen, waar mensen alleen maar naar komen kijken om te kunnen zeggen ‘dat hebben we dan weer gezien’. Ik kijk dan liever naar een musical of schooltheater dat aan alle kanten wankelt en de plank misslaat, maar waar iedereen op het podium iets te zeggen heeft en alles staat te geven.

 

Vind je urgentie belangrijk?

Ja, maar ook dat is lastig. Uiteindelijk projecteer ik altijd mijn eigen mening. Je kan niet zomaar zeggen dat het werk van een maker wel of niet urgent is. Misschien hangt het erg af van vooroordelen. Ik ben er niet goed in om dat idee van goed versus slecht theater los te laten.

 

Motiveert je dat om zelf te maken, door je af te zetten?

Ik word meer gemotiveerd door dingen die me wel raken dan dingen die me niet raken. Ik kan een hoop zeiken over theater, maar als het puntje bij paaltje komt, zit ik heel graag in de zaal en is het altijd een feest om een uur of twee of drie of uitzonderlijk vijf naar een voorstelling te kijken en mee te gaan in een verhaal. Even weg van mijn mobiele telefoon en het dagelijks leven. Ik probeer dat gevoel van kinderlijke verwondering te behouden, ook al heb ik veel gezien.

 

Welk verhaal moet volgens jou op dit moment absoluut verteld worden op een podium, en waarom?

Het zou gepast zijn om te zeggen dat we het moeten hebben over Gaza en Trump, maar over Trump hoor ik de laatste tijd echt even iets te veel. In de media is er een oversaturatie van narigheid, waardoor de inhoud zijn kracht verliest. Wat mij betreft mogen er altijd meer ongehoorde stemmen klinken. Persoonlijk heb ik nood aan het herontdekken van queer of vrouwelijke stemmen uit het verleden. Het heden moet worden herschreven door het verleden te herontdekken. Autobiografische voorstellingen over vergeten figuren met verhalen die nog niet zijn gehoord vind ik heel tof.

 

In je essay in Etcetera vertel je over hoe je visie op vrouwelijke kunstenaars vroeger anders was dan nu. Hoe kijk je terug op die verandering?

Ik had veel ambitieuze jongensvrienden. Het was een tijd waarin we ons verdiepten in de klassieke canon: de ‘grote witte mannen’ zoals Dostojevski en Sophocles. Toen ik me begon te verdiepen in feminisme en mijn canon uitbreidde met veel relevante vrouwelijke stemmen, merkte ik dat ik pas serieus werd genomen naarmate ik aantoonde dat ik ook mijn ‘klassiekers’ kende.

 

Als ik naar een jongere versie van mezelf kijk, zie ik veel geïnternaliseerde misogynie. Ik realiseer me dat ik als meisje diep gefrustreerd was door de beperkingen die ik als vrouw ervoer, niet qua genderidentiteit, maar puur maatschappelijk. Historisch gezien waren er maar weinig vrouwelijke voorbeelden, dit was vooral een gebrek aan kennis bij mij en een kwestie van wie mij kennis aanreikte. Als kind werd ons aangeleerd dat in de prehistorie enkel mannen op jacht gingen. Daar ging het al mis, ik kon soms uren stilzitten om dieren te observeren en ging graag vissen, dat lijken me toch jager-eigenschappen. Achteraf blijkt dat die verhouding van mannen als jager en vrouwen als verzamelaars toch niet zo binair zijn als ze worden gepresenteerd.

 

Zelfs binnen mijn eigen gezin merk ik hoe het patriarchaat doorsijpelt. 30 jaar geleden had mijn moeder het idee dat de emancipatie rond was. Voor vrouwen van haar generatie was het een keuze om huisvrouw te worden en voor de kinderen te zorgen, mijn vader ging voltijds werken, zo wilden mijn ouders het graag, wetende dat het ook anders kon.

 

Ik heb het er wel eens met mijn moeder over gehad, toen ik haar vroeg of ze met de kennis van nu dezelfde keuze zou maken, gaf ze toe dat ze er waarschijnlijk anders in had gestaan.

 

Feminisme levert geen problemen op, maar legt problemen bloot. Het legt bloot dat mensen soms geen kinderen willen en dat er veel ongelijkheid en gedoe is in het huishouden. In het huidige systeem is het bijna niet haalbaar om met twee voltijds werkende ouders een gezin te stichten.

 

Voor mij persoonlijk is het in ieder geval duidelijk: ik wil heel graag werken, maar absoluut geen kinderen.

 

Wat heb je meegenomen uit je deelname aan Dans! Dichter! Dans!?

Het werken met muziek is altijd tof. Het heeft een aanzet gegeven voor mijn project ‘Ja Maar en de Sombermannen’, waarbij we met acht man op het podium stonden. Ik heb een deel zelf gecomponeerd. Dankzij Dans! Dichter! Dans! leerde ik mijn teksten tot muziek te vertalen en voelde ik tijdens de repetities aan wat werkte en wat niet. Via Dans! Dichter! Dans! heb ik Uschi Cop ontmoet en de connectie met Hyster-X gevonden, waar ik heel dankbaar voor ben. En het was ook heel tof om Lucky Fonz III live te zien. Ik heb een bescheiden droom om met hem een liedje te maken. Hij mag mij altijd bellen als hij dit leest.

 

We zullen je oproep de ether in brengen. Bedankt voor dit interview!