24 oktober, 2025

In gesprek met Reinout De Pauw:
van Humo’s Rock Rally tot spoken word

Tekst en interview: Tim Thomaes

 

Decennia nadat hij als ‘rare tiener’ in bandjes speelde met namen als Kinless, Vita Brevis, en met Rockefeller op de Rock Rally stond, heeft Reinout De Pauw de muziek herontdekt. Niet langer als onderdeel van een band, maar solo, gewapend met een loopstation en zijn teksten. De muziek en het schrijven, de twee passies die hem al van jongs af aan bijten, komen nu samen in spoken word. Het wordt een openhartig gesprek over de zoektocht naar balans, de kunst van het ‘wroeten’, en de noodzaak van een eigen stem in een rumoerige wereld.

 

Hoe gaat het met jou?

Amai, oké. (Lacht) Het is een vrij zware periode geweest. Ik heb soms wat moeite met balans. Ik ben slecht in deuren gesloten houden en nee zeggen. Ik doe het mezelf soms aan, dus daar heb ik werk aan. Ik geef les, schrijf voor Humo, en ik ben met een voormalig medestudent aan het RITCS bezig met een filmscenario. Daarnaast ben ik bezig met wat dingen die wat ‘losser’ zijn, zoals mijn spoken word projecten. Dat allemaal in combinatie met een gezin is best pittig. Het zijn soms veel ballen die je in de lucht hebt. Mijn grote opdracht van het moment is zorgen dat ik niet omval, dat de ballen eerder vallen dan ikzelf. Ik denk soms dat ik iets strenger moet kiezen, anders bots ik tegen een grens aan. Het gaat ook over verantwoordelijkheid: ik moet niet altijd de flinkste willen zijn en verantwoordelijkheden opnemen die misschien niet de mijne zijn.

 

Logistiek gezien kwam het beter uit om hier bij je thuis af te spreken, maar je wilde het interview eerst laten doorgaan in de Botanique. Waarom?

Ik heb daar één van mijn allereerste optredens ooit gezien. Het was een plaatvoorspelling van The Scene en er was maar 150 man in de zaal, waaronder Luc De Vos. Ik was er met mijn vader en een tante en die laatste sprak Luc De Vos en Thé Lau aan op zo’n achteloze, spontane manier dat ik oprecht dacht dat het oude vrienden van haar waren. Dat was, euh, bijzonder. Ik hou ook van de Botanique en de tuinen eromheen omwille van het ‘groen’. De laatste tijd heb ik meer behoefte aan vertraging in stadse context.

 

In de podcast Interlude vertelde je dat Thé Lau van The Scene een grote invloed op je is geweest. Wat maakt zijn werk zo boeiend voor jou?

Ik kan zinnen citeren die ik goed vind, maar ik heb meer en meer het gevoel dat de reden waarom je iemand goed vindt, te maken heeft met de energie, de ziel van een artiest, los van het concrete. Je kan het niet echt vatten in zinnen of melodielijnen. Het is ook die stem, de manier waarop de woorden gezegd worden. Dat doet iets wat resoneert.

 

Je bent altijd voor of achter de schermen bezig geweest met muziek. Je hebt zelfs eens een  goede recensie in OOR gekregen voor een samenwerking met Luc van Acker…

(Haakt in) Oh, ja! We hadden toen met Rockefeller een demo opgenomen die we een EP noemden. Hij had ons gehoord bij muzikantendag in de AB en toen is dat wat gaan rollen. Hij heeft daar toen wat elfenstof over gestrooid en dat was direct wel stevig.

 

Je bent ook een tijd band manager geweest bij een agentschap. Zocht je die muziek bewust op als onderdeel van je leven?

Dat komt van mijn vader, een zware muziekliefhebber. Ik heb daar niet naar hoeven zoeken, dat kwam gewoon naar ons toe.

 

Was hij daarin werkzaam?

Nee, hij was eerst leerkracht lager onderwijs, dan schooldirecteur, en dan weer leerkracht. Maar toen hij opnieuw leerkracht werd, had hij veel aandacht voor muziek. Hij nam wel eens een drumstel mee naar de klas.

 

Waar kwam dat vandaan?

Dat was zijn grootste uitlaatklep en hobby. Hij is pas laat zelf muziek beginnen spelen, eigenlijk na ons. Hij was vooral muziekfanaat. Mijn twee jaar jongere broer is eerst muziek beginnen spelen, en vervolgens ik ook. Ik wilde eerst nog topkeeper worden, maar toen bleek ik te stoppen met groeien. In het middelbaar besloten mijn broer en ik om samen muziek te maken. Bij mijn oma stond een Spaanse gitaar die we opnieuw hebben laten besnaren, en zo is het begonnen. In zijn klas vonden we een zanger, een jongetje van elf. We hadden een nummer, dan drie, en dan een optreden. We waren niet echt bang om ons ding te tonen, dat was jeugdig enthousiasme en overmoed. Op een bepaald moment deden we een optreden op een kleine plaatselijke rock rally. Wij stonden daar tussen gasten van 50 die Jimi Hendrix covers speelden. Onze rockband heette ‘Kinless’ en die mannen stonden ons gewoon uit te lachen omdat dat leek op ‘kindjes’. Stoere kerels die twaalfjarigen uitlachen: dapper! Dat was ons oergroepje, en daar zijn we onze tienerjaren veel mee bezig geweest in verschillende constellaties. We hadden ook ooit een bandje dat heette Vita Brevis, dat komt uit een boek van Jostein Gaarder over de brieven van Augustinus.

 

De apologetica?
Ja, god, wat een rare tieners waren wij. (Loopt naar boekenkast, haalt het boek eruit en bladert erdoor.)

 

Hoe kwam je daarbij?

We waren nerds. Maar het was een mooi boekje. Over de liefde dan nog… En die band was met strijkers en een violiste. Maar toen hadden we met een deel van die groep goesting om iets steviger te gaan, en daar is Rockefeller uit ontstaan.

 

En daar heb ik een foto van gevonden via Google…

Staat daar nog iets van online? (Kijkt naar de foto: de groep poseert op een gastank) Ik ken mensen die dat kunnen laten verdwijnen… (Lacht)

 

Heel jaren 80!

Ja, we liepen anderhalf decennium achter. Bandfoto’s zijn altijd kak en potsierlijk.

 

Zou je zoiets opnieuw willen doen?

In zo’n groepje spelen bedoel je, of zo’n bandfoto maken op een gastank?

 

In zo’n groepje spelen.

Tja, dat zou een bal zijn die ik in de lucht gooi, een grote bal. Als begeleider van andere groepen bij dat agentschap kreeg ik het idee dat het niet voor dit leven zou zijn om zelf nog actief iets met muziek te doen. Met zo’n band moet je zo veel afspreken, agenda’s bijhouden, materiaal meeslepen, werken met repetitiekoten. Ik schreef zelf wel nummers, maar kon niet zingen, dus ook daarvoor was ik afhankelijk van anderen. Maar de afgelopen jaren ben ik daar opnieuw mee bezig solo, in spoken word. Daar is het niet erg dat ik geen nachtegaal ben, en ik heb niet zo’n zware agendalast. Zo’n band heeft charme en is tof, maar ik ben tevreden over wat ik nu doe met muzikale spoken word.

 

Je hebt meegedaan aan Dans! Dichter! Dans! met het thema ‘Obsessie’. Hoe heb je dat ervaren?

Ik vond het heel fijn om het podium te herontdekken. Het heeft me een kriebel gegeven. Ik kreeg ook te horen van veel mensen dat ze die combinatie van poëzie met een live band niet vaak tegenkomen, maar het viel wel in de smaak en mensen vonden het spannend. Als ik het opnieuw zou mogen doen, zou ik misschien iets meer mijn mond houden om te vertragen en ruimte te laten voor de muziek. Ik zou nog meer kijken naar de muzikanten, om te zien wat er op dat moment ontstaat. Als je me zou vragen welk advies ik mezelf zou geven, zou ik zeggen: leer je tekst knal uit je kop en de rest komt goed op het podium. In de repetitie kun je wel dingen aftasten, maar ik zou proberen om meer te laten ontstaan op het podium zelf. Ik zou mijn tekst wat meer beschouwen als startmateriaal, maar ook niet meer dan dat. Maar het was natuurlijk wel een sprong. Het was nieuw, ik had nog nooit zoiets gezien, laat staan gedaan.

 

Waarom ben je aan het RITCS de opleiding schrijven beginnen volgen?

Voordat de muziek in mijn leven kwam, was ik in de lagere school gebeten door boeken en schrijven. Ik vond het leuk om opstellen en gedichten in boekjes te schrijven. Ik zie dat nu ook terug bij mijn dochter, dat schattige schrijven in boekjes en ze laten slingeren in de hoop dat iemand het leest. Dat is altijd wel gebleven, ook doorheen mijn puberteit en adolescentie ben ik altijd blijven schrijven. Eigenlijk wilde ik al naar het RITCS toen ik 18 was. Ik ben blij dat ik het na wat omwegen toch heb gedaan.

 

Je maakt nu zelf muzikale spoken word. Hoe gaat het daarmee?

Ik vind het heel tof, maar het is niet makkelijk om plekken te vinden waar het kan staan. Ik heb het gevoel dat die plekken waar het tot zijn recht komt er nog niet echt zijn.

 

Dat hangt soms ook af van hoe lang het is. Wat heb je nu van materiaal?

Ik heb kortere en langere stukken. Eén van die projecten gaat over Testerep, een voormalig schiereiland bij Oostende. Dat zou een theatervoorstelling kunnen worden. Ik heb ook kortere teksten van bijvoorbeeld 10 minuten. In het laatste nummer van Deus Ex Machina staat ‘Moederbloed’, een deel van een vijfluik dat ik nu aan het uitwerken ben. Elk deel duurt zo’n 5 minuten.

 

Die tekst heb je ook bij Dans! Dichter! Dans! gebracht, toch?

Ja, die heb ik toen met de band gebracht. Nu neem ik die zelf onder handen. Maar ik merk dat het bij organisatoren en theaters niet zo gemakkelijk is. Ik heb het gevoel dat die plekken nog aan het ontstaan zijn. Er zijn wel festivals met dit soort formules, ik heb het gedaan bij Dans! Dichter! Dans! en via deBuren zijn er wat presentaties uit gekomen, maar ze zijn niet zo dik bezaaid. Niet iedereen die schrijft staat net zo graag op een podium, maar ik vind het wel fijn om te zoeken naar een plek om ze naar het publiek te brengen. Sommige teksten zijn ook zo ontstaan. Eerst schreef ik teksten op papier om vervolgens te bedenken hoe ik ze kon bewerken voor het podium, maar de meest recente zijn echt bedoeld als spoken word, al probeer ik er altijd naar te streven dat het ook op papier blijft werken.

 

Hoe zorg je ervoor dat een tekst zowel op papier als op podium werkt?

Ik denk dat het voor het podium een soort directheid moet hebben, en dat het voor papier genoeg gelaagdheid nodig heeft. Ik heb een vrij rijke eigen stijl, ik ben niet de schrijver die voor de zeer minimalistische teksten gaat. Op podium kan dat soms te veel zijn, dus daar is het belangrijk om te zoeken naar evenwicht.

 

Dus toch iets uitgepuurder schrijven?

Ja, en ook iets narratiever. Op papier is poëzie ook meer verdicht. Op papier ben je wat dat betreft minder begrensd. Als je live werkt, kun je niet terugspoelen. Dat zou trouwens iets zijn, een performance die je live kan terugspoelen! Bij mij komt er ook muziek bij. Hetzelfde is belangrijk als je schrijft met illustraties. In dat geval moeten illustratie en tekst elkaar aanvullen of in contrast staan, maar toch tegenover elkaar bewegen. Bij audio is dat hetzelfde. Je moet in je tekst vertrouwen dat de andere vorm ook iets vertelt. De zoektocht moet dan gaan over wat wordt verteld in welke vorm.

 

Je werkt met een loopstation. Hoe gaat dat?

Het begint altijd met de tekst, of een stuk tekst. Dan begin ik wat te prutsen, te zoeken naar de auditieve sfeer die erbij kan passen. Ik heb veel opnames op mijn gsm staan: een tof baslijntje, een tokkeltje, of gewoon een gesproken boodschap van mezelf waarin ik een idee inspreek van een bepaald geluid met een bepaald effect. Zo zoek ik stapsgewijs, en bouw ik laagje per laagje op.

 

Heb je een studio?

Ik heb een hoekje in de kelder. Dat is fijn, want ik kan mijn spullen daar laten staan, in plaats van in een repetitiekot. Het is een troef die ik bij de hand heb. Daar zit ik soms met een vork te kloppen op een barbecue-aansteker om daar geluid uit te krijgen, of te tinkelen op flessen gevuld met verschillende hoeveelheden water. Ik zoek en wroet graag om dingetjes uit te proberen. Een band als Radiohead vind ik wat dat betreft wel een grote inspiratie.

 

Is niet elke muzikant zo’n wroeter?

Nee, niet iedereen is wroeter. Sommige muzikanten zoeken net een soort directheid op en dat is ook prima. Niet iedere song hoeft een grens te verleggen. Dat is bij Radiohead wel zo. Die bezetenheid en voortdurende zoektocht naar hoe het anders en beter kan,  vind ik wel inspirerend. Er is een hele goede podcast die daarover gaat: ‘Dissect’.

 

Is dat zoiets als Song Exploder?
Ja, maar dieper. In Dissect wordt 10×45 minuten over het album ‘In Rainbows’ gepraat. Ik hou ook wel van laagjes in alle mogelijke vormen. Ik vind het fijn dat er gelaagdheid is in zowel de audio als in de tekst. Dat lukt alleen door een beetje te wroeten en hetzelfde procédé een aantal keer te hernemen, zodat je er dingen in blijft herontdekken. Ik las niet lang geleden een interview met Stefan Hertmans, die zei: ‘Iets dat authentiek lijkt, is altijd het gevolg van zoek- en schaafwerk.’ Ik denk dat dat klopt. Het is wel de kunst om op tijd te stoppen, zodat het niet te klinisch wordt.

 

Toen je te gast was in onze podcast ‘Interlude’, vertelde je ook zoiets, namelijk dat een connectie met een lezer vanzelf ontstaat als je werk voortkomt uit je eigen ‘zoektocht’. Wat is op dit moment jouw zoektocht?
Mijn thematische rode draad heeft in elk geval te maken met hoe we ons als mens verhouden tegenover andere  wezens. Dat kunnen niet-menselijke organismen zijn, maar ook bevolkingsgroepen die op een of andere manier ‘anders’ zijn. Ik wil onderzoeken waarom we ‘het andere’ of ‘de andere’ zo vaak als een object beschouwen, als iets dat zomaar kan worden weggezet, welke gevolgen dit heeft, hoe dit te counteren valt Dat thema zit in een tekst als ‘Moederbloed’, maar in zekere zin ook in ons filmproject. Ik vind het ook boeiend om te zoeken naar hoe een tekst een heterotope plek kan zijn, een plek waar ‘het anders zijn en doen’ ruimte krijgt.   Naar mijn gevoel kan dat al door te zorgen dat  een tekst meerstemmig is,. Zo lang je tekst gelaagd is, meerstemmig genoeg is, kan het al tegenwicht bieden tegen dominante stemmen die geneigd zijn om het leven en de wereld voor te stellen als simpel, monochroom…  Maar het mag natuurlijk ook niet te academisch worden. Daar is het opnieuw zoeken naar een evenwicht.

 

Vind je activisme belangrijk?

Ik vind maatschappelijke betrokkenheid belangrijk. Ik weet niet of dat heel activistisch moet zijn. Mijn moeder was verpleegster en is al een aantal jaar op pensioen. Ze heeft Parkinson, maar ze gaat nog wel elke dinsdag naar het rusthuis om met de boekenkar rond te gaan en babbeltjes te doen. Dat vind ik heel mooi. Is dat activistisch? Nee, maar ik vind dat wel heel betrokken en ontroerend. Ze is zelf ziek en toch heeft ze nog die energie om iets te doen voor een ander.

 

Heb je het gevoel dat je je moet afzetten tegen politiek en media?

Ik denk dat er door de enorme snelheid waaraan we leven er vaak geen mentale ruimte is voor een gelaagder, genuanceerder verhaal. En toch is dat nodig. Zonder meerstemmigheid kan democratie niet bestaan. Het zou een taak van de overheid moeten zijn om tegenstemmen te stimuleren, maar mensen roesten zo snel vast in het idee dat iets nu eenmaal zo is, of dat er geen alternatieven zijn. Ik geef nu een ‘Kunstkuur’ in een klas aan het vijfde middelbaar. Ik geef daar 2 uur creatief schrijven per week. We zitten dan aan tafel en nemen rustig de tijd om in een tekst te duiken en daarover te spreken. Ook die jongeren zitten in een race, zo’n schooldag is hevig en intens voor hen, maar je voelt op zo’n moment dat er een soort van vertraging optreedt. Ik besefte toen dat die klas een heterotope plek was geworden. Het was alsof een spier die de hele tijd in kramp zat, plots loskwam. Het hoeft soms niet ingewikkeld te zijn om die spier los te maken. Teksten bespreken doen ze ook op andere momenten, maar niet met die ruimte, en zonder dat het iets moét opleveren… en net daardoor levert het vaak iets op.

 

En inspireert hen dat om zelf te schrijven?

Ja, al is hun idee van schrijven soms al erg vastgeroest en soms hebben ze ook simpelweg vrij weinig zelfvertrouwen op vlak van schrijven. Er heerst het idee dat het altijd heel literair moet zijn, of zeer barok van stijl, met lange zinnen en moeilijke woorden. Ik probeer hen bij te brengen dat het vooral gaat om hun eigen stem. Chat GPT is ook een valkuil geworden, maar zodra ze doorhebben dat als het helemaal oké is om in hun eigen stem iets te vertellen, neemt hun interesse toe. Het gaat juist vooral over die stem, dat is wat het boeiend en uniek maakt, net als een muziekartiest waar je door geraakt wordt.

 

Wat neem je zelf mee uit die lessen?
Ik sta er keer op keer van te kijken wat voor narratief beest de mens is. Het verbaast me soms dat ik elke keer opnieuw de kracht daarvan ontdek, zelfs bij die jonge gasten die daar misschien eerst niet op zaten te wachten.

 

Wat is het laatste dat je hebt gelezen en waarvan je dacht: daar wil ik iets mee doen?

Ik weet niet of ik er iets mee wil doen, maar ik ben nu ‘Grapes of wrath’ aan het lezen, en dat maakt wel indruk. Het is verdomd actueel. Ik vind het knap hoe hij schrijft rond kwetsbaarheid en weggedrukte groepen. Het is eigenlijk een typisch ‘boek met een boodschap’, en het inspireert mij wel om te zien hoe hij dat combineert tot een verhaal. Sommige stukken daarin zijn essayistisch, mooi om te zien hoe hij het aanpakt. De man op de tractor die vervreemd is geraakt van de grond, en geen connectie meer heeft met de dingen die hij aan het doen is, dat is een dynamiek die nog altijd bestaat.

‘Een modern verlangen’ van Hanna Bervoets vond ik ook een hele mooie kortverhalenbundel. Ik hoor weleens van mensen dat ze het moeilijk vinden om in kortverhalen telkens het engagement aan te gaan met een nieuw hoofdpersonage, maar ik wil wel een lans breken voor deze bundel waarin ze heel knap een aantal moderne technologievraagstukken onderzoekt. Het lijkt een beetje op de verhalen van Black Mirror.

 

Wat is een stuk ‘lage cultuur’, een popnummer, reality-programma, een b-film, waar jij als schrijver iets van leert?

(Denkt na.) Jeugdliteratuur is wat mij betreft geen lage cultuur, maar ik merkt dat sommige mensen een boek toch anders bekijken wanneer ze weten dat het een ‘kinderboek’ is. Ik vind net dat er in jeugdliteratuur heel interessante dingen gebeuren, het is heel creatief en speels. Ik vind dat dus helemaal niet ‘laag’, maar het mag van mij ernstiger worden genomen. In ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ zie ik niet zo snel een zuivere jeugdauteur opduiken, ik vraag me af waarom niet, want eigenlijk is een jeugdboek gewoon een boek dat geschikt is voor een heel breed publiek. Goede jeugdschrijvers zijn meesters in het combineren van gelaagdheid en toegankelijkheid. Daar leer ik wel dingen uit. Zelf vind ik het ook fijn om zo te schrijven.

 

Wat vind je van de jeugdliteratuur die tegenwoordig populair is, zoals Engelstalige fantasy of anime?

Dat zijn allemaal leeskilometers, dus ik moedig dat aan. Het valt me op dat jongeren tegenwoordig veel meer materiaal hebben dat op hun maat is. Vroeger moest je de sprong maken van Anthony Horowitz en Thea Beckman naar Tom Lanoye. ‘Kartonnen dozen’ was dan een ‘adolescentenroman’. Nu staat er een hele categorie ‘Young Adults’ tussen. Ik vind het stilistisch niet altijd even sterk, maar wie wil lezen, kan vlot blijven lezen. De sprong is minder drastisch. Ik merk dat de jongeren in mijn les Creatief Schrijven echt veel hebben gelezen, gekeken en beluisterd. De ontlezing is zeker een feit, maar het ligt nu zeker niet aan het aanbod. Jongeren met een grote leeshonger kunnen helemaal loos gaan en doen dat ook. Als je geïnteresseerd bent, kan je zelfs op YouTube een hele cursus dramaturgie volgen. Ik zie tieners toveren met dramaturgische begrippen zonder te bluffen.

 

Levert dat andere literatuur op, denk je?

Ik heb de groei van de Young Adult-categorie zelf meegemaakt toen ik in een bibliotheek werkte, maar het is misschien wat te vroeg om te zien wat voor invloed het gaat hebben op het type verhalen dat gemaakt zal worden. Ik ben geen fan schrijven in het Engels als het niet je native taal is. Je bindt ook niet één been af als je meedoet aan een loopwedstrijd. Vaak is de reden waarom mensen in het Engels willen schrijven dat het ‘goed klinkt’, maar het is ook een valkuil. Je fopt jezelf ermee. Daarom is zingen in het Engels ook makkelijker dan in het Nederlands; het laat zich minder makkelijk doorprikken.

 

Wat zou je tegen je jongere zelf willen zeggen?

Dat het bullshit is dat je eerst een ‘ernstige’ opleiding moet volgen om zeker te zijn van een job. Ik ben naar het RITCS gegaan toen ik al andere dingen gestudeerd en gewerkt had, maar eigenlijk wilde ik dat al veel eerder doen. Je moet risico’s nemen als je jong bent. Het was best pittig om die studie te volgen toen ik al kinderen had. Het is allemaal gelukt, maar als ik nu zelf met jongeren spreek die een artistieke ‘droom’ hebben, zeg ik ze om daar niet bang voor te zijn, en gewoon te proberen. Het is niet dat ik niet mocht, maar het werd ook niet als een ‘echte’ optie gezien. Het is een wereld die mijn ouders niet zo goed kenden. En ik had ook niet het karakter om het dan toch maar te doen, ik was daarin toch wat te braaf.

 

Welk bestaand kunstwerk had je zelf willen maken?

Niks! (Lacht) Ik vind veel dingen heel goed, maar in mijn stem zou het toch niet hetzelfde kunnen zijn. Het zou heel anders klinken. Het boek ‘Tot in de hemel’ van Richard Powers, dat heeft bijvoorbeeld een ecologische inslag. Het is een grote mozaïekvertelling waarin alle personages van ver of van dicht iets met bomen hebben. Je voelt dat er een bom research achter zit, en toch heeft het een heel onderhoudend en meeslepend boek opgeleverd. ‘Er is geen daar daar’ van Tommy Orange volgt een beetje dezelfde techniek. Het gaat over moderne native Americans die een leven proberen op te bouwen in het Amerika van vandaag. Dat zijn duidelijke werken waar een duidelijk artistiek onderzoek achter zit. Prachtige boeken die zeker inspireren, maar ik zou ze niet kunnen of willen maken, want ik ben niet Richard Powers of Tommy Orange.

 

Is er een ‘eindvorm’ waar je van droomt, waarin verschillende disciplines kunnen samensmelten?
Ik denk dat Testerep zo’n project is waarmee dat zou kunnen. Onze film ook. Ik doe graag dat soort cross-over projecten, dus ik zie snel mogelijkheden om combinaties te maken. Ik ben ook net begonnen met een dichtbundel rond het thema ‘angst’. Dat thema heeft zich een beetje aan mij opgedrongen sinds september en sindsdien ben ik gaan sprokkelen. Dat zou nog veel kanten uit kunnen, maar voorlopig is het beperkt tot poëzie. Het is heel persoonlijk, maar tegelijk ook heel breed en maatschappelijk, dus dat geeft mij veel aanknopingspunten.

 

Bedankt voor dit gesprek!