1 april, 2026
Niet het slachtoffer, niet de held:
Mira Bryssinck herschrijft het verhaal van de beperking
Tekst en Interview: Tim Thomaes
Mira Bryssinck deed mee als podiumdichter met ‘Dans! Dichter! Dans! – Feest’ in 2023 en werd daarna bij ons actief achter de schermen als lid van het selectiecomité. Mira is ook actrice, theatermaker, en mede-oprichter van Par Hasard samen met Laura Vroom en Fred Libert. Par Hasard is een organisatie die gecureerde toonmomenten en workshops organiseert voor collega’s die daardoor nieuwe stappen in het theaterlandschap kunnen zetten.
Ik interview Mira na een repetitiedag in De Studio. Ze werkt er aan haar solovoorstelling ‘Iemands Zus’, waarvoor ze ‘De Vonk’ heeft gewonnen, een prijs van literair productiehuis Vonk & Zonen waarmee ze de beste pitch voor een literair project ‘buiten het boek’ beloont met een geldprijs. Daarnaast vond ze ook ondersteuning bij VIERNULVIER waarmee ze al langer een traject aanging in kader van een internationale uitwisseling.
Waar gaat Iemands Zus over?
Het gaat over hoe het is om op te groeien met een beperking naast een zus zonder beperking. Ik ben daar 2 à 3 jaar geleden over beginnen nadenken, nadat ik veel literatuur en films zag vanuit het perspectief van de broer of zus zonder handicap. Maar het omgekeerde kwam eigenlijk niet voor. Ik heb zelf te maken met een beperking, en ben ook al een paar jaar actief in de sector als activist, een beetje tegen wil en dank. En als activist denk ik dat we meer ‘crip-narratieven’ nodig hebben vanuit de personen met een beperking. Je krijgt daarmee een nieuw beeld op gezinsdynamieken.
Hoe gaat het met je voorstelling? Waar zit je nu in het proces?
In een lastige fase. Ik wissel veel tussen dingen uitproberen op de vloer en herschrijven. In tegenstelling tot mijn eerste solo ‘Glory Box’ is er weinig verschil tussen de vloer en de tafel. Toen ontstond de tekst vanuit mezelf op het podium. In het proces naar die voorstelling sprak ik soms luidop voor niemand, soms filmde ik mezelf dagenlang, maar nu niet. De tekst ontstaat op een andere manier.
Kun je dat concreet maken?
Ja, ik bedoel het letterlijk. Het ontstaat bij deze voorstelling vooral aan een tafel. Ik probeer soms iets op de vloer met wat ik geschreven heb, maar uiteindelijk ontstaat het op papier. Ik ben dus meer aan het zitten dan aan het staan. Eigenlijk zit ik soms te improviseren voor mijn computer. Als ik vast zit in mijn pen, helpt het soms om op de vloer te staan. Maar er moet genoeg materiaal zijn. Misschien komt het doordat de complexiteit van wat ik wil vertellen vraagt om een heel precieze bewoording, waardoor ik daar niet op kan improviseren. Af en toe geef ik mezelf wel gerichte opdrachten, zoals ‘ik ga nu schrijven of spelen vanuit dit perspectief’, of ‘dit is net gebeurd’, of ‘dit gaat gebeuren’, maar het meeste ontstaat op dit moment aan tafel. Het is nu misschien nog geen theater, maar dat wordt het wel. Als ik het er over heb met mensen, noem ik het altijd een ‘coming of age verhaal’, of een ‘retrospect’. Dat zijn filmische referenties. Ik wil dingen voor mijn ogen zien, literair vertalen, en er dan misschien kleine theaterscènes van maken.
Heb je ooit geschreven voor papier, om gelezen te worden?
Ik heb nog geen boek geschreven, maar de huidige vorm van ‘Iemands Zus’ is zeker niet de enige mogelijke vorm. Er valt genoeg over te vertellen. Ik heb wel verschillende artikels geschreven, bijvoorbeeld voor Forum Plus of Rekto Verso. Vaak gaat het dan over activistische zaken, maar ik kan het niet laten om dat op een poëtische manier te doen.
Heb je broers of zussen?
Ja, ik heb een oudere zus. De perspectieven die ik gebruik zijn dus van mij, en van ons samen. Maar dat betekent niet dat alles in de voorstelling echt gebeurd is. Er is veel gefictionaliseerd. Ik ben voor de voorstelling met veel andere mensen in gesprek gegaan die die situatie kennen. Ik heb gemerkt hoe persoonlijk elk perspectief is. Het opmerkelijke is dat ze altijd de neiging hebben om een broer of zus met een beperking in het spotlicht te zetten, terwijl ze heel weinig spreken over hun eigen obstakels. Ik denk dat net die zussen en broers heel vaak niet gezien zijn in die gezinnen, en daarom wil ik aan hen een ode brengen. Het is dus een dubbele ondergerepresenteerde community. Dat wil niet zeggen dat het een pleidooi is voor minder zorg, want als er meer zorg gaat naar mensen met een beperking, krijgen hun broers en zussen ook meer ruimte. Er is in het algemeen te weinig gemeenschapsvorming rond gezinnen met een beperking, waardoor het voor iedereen in dat gezin een eenzame ervaring is.
Je merkte patronen op in de gesprekken die je hebt gevoerd. Wist je op voorhand waar je naar zocht?
Ik wist dat ik mijn onderzoek op verschillende niveaus wilde doen, zowel door met mensen te babbelen en te onderzoeken wat het betekent om ondergerepresenteerd te zijn: wat is het, wat betekent het vandaag, en wat betekent het op het kruispunt van validisme, seksisme en racisme? Daarnaast wilde ik onderzoeken wat storytelling is, hoe dat iemand kan vormen, op welke manier je in fictie niet alleen stemmen, maar ook gevoelens kan herbergen.
Wat bedoel je daarmee?
Als je opgroeit met een beperking, ben je in constante tweestrijd tussen rouw en trots. Rouw om wat de beperking je ontneemt, en trots op wie je bent geworden mét die beperking. Beide gevoelens zijn tegelijk waar, en spreken elkaar tegen. De meeste verhalen kiezen er één: ofwel het tragische narratief, ofwel het inspirerende narratief dat je ondanks alles bent geworden wie je bent. Beide zijn reducerend. Met fictie kun je die kluwen van gevoelens uit elkaar halen en naast elkaar leggen, alsof je ze met een pincet op een petrischaal dissecteert. Dan ontstaat er een kern die zichzelf tegenspreekt zonder dat het ene het andere opheft. Ik onderzoek niet zo zeer de mens of de sociologische context, maar de complexiteit van al die verhalen, en wat de gemeenschappelijke deler daarvan is. Ik wist op voorhand wel dat er iets te vinden was, maar het mooie is om in je onderzoek ruimte te laten om op nog iets beters te botsen. Ik zoek naar de kern waar geen woorden voor zijn, om daar alsnog woorden voor te vinden.
Heb je die kern al gevonden?
Misschien wel dat er een gemeenschappelijke noemer is. Niet dat ik die als zodanig onderzocht heb, maar het is wel waar ik op uitkom: als we maatschappelijk breder zorg dragen voor elkaar, en als er een beter beleid was rond mensen met een beperking, dan neem je veel druk weg van die gezinnen. Ook de interne spanningen. En misschien is er dan ook meer begrip voor broers en zussen.
Hoe zit het met dat perspectief in de Vlaamse literatuur en theater?
België heeft daar geen traditie in. We hebben tout court weinig taal om het over validisme te hebben. Ik leerde zelf het woord pas kennen in 2021. Er zijn weinig zichtbare stemmen met een beperking, en nog minder auteurschap. Ik vorm wel een community met andere makers, maar in het bredere repertoire ontbreken die stemmen. En als er personages met een beperking voorkomen, schrijven ze zich nog steeds in drie grote stereotypen: het slachtoffer, de misdadiger of de held. Of ze worden ingezet als katalysator om het verhaal van een hoofdpersonage zonder handicap tragischer te maken. Ze hebben dan een functie, maar zijn geen hoofdpersonage op zichzelf. En binnen die drie narratieven hebben ze het vaak enkel over hun eigen handicap. Hun aanwezigheid wordt gerechtvaardigd door wat ze daarover zeggen. Dat is dan ook geschreven vanuit mensen zonder handicap. Het wordt genuanceerder als het gethematiseerd wordt vanuit een verteller die zelf een handicap heeft.
Je bevindt je ook op het snijvlak tussen podiumliteratuur en theater. Wat valt je op als je de twee scènes met elkaar vergelijkt?
Ik vind het moeilijk om een heldere opdeling tussen die twee te maken. Er komt vandaag meer spel in de podiumliteratuur, en meer podiumliteratuur in theater. De genres verschuiven. Je ziet bijvoorbeeld ook de terugkeer van cabaret, en comedy maakt steeds meer een opmars. Ik vind het mooi dat er in de Belgische theaterwereld geen harde opdeling is tussen performance en theater, of tussen spel- en verteltheater, of tussen theater en dans, zeker met mensen als Alain Platel. Ik denk dat dat goed is. Ik merk wel dat podiumliteratuur en theater allebei nog een ander publiek bedienen. Ik denk dat dat soms te maken heeft met de middelen die er zijn. Ik ben blij dat er meer slam is, gevoel voor ritme in tekst, dat muziek en woord elkaar vinden. Ik sta ook op scene met Simon Raman, een basgitarist. Maar inhoudelijk zijn we denk ik met hetzelfde bezig, op kleine en grote schaal. We delen een grote ongerustheid over de wereld. Ik weet niet of dat anders is dan vroeger. De wereld komt heel de tijd binnen via technologie. Het is goed dat we meer verbonden kunnen zijn en meer kunnen weten, maar je voelt ook dat er veel meer polarisering is. We maken ons er zorgen over dat wereldleiders niet zorgen voor mensen. Collega’s en ik voelen dat we daar niet over kunnen zwijgen.
Je bent mede-oprichter van Par Hasard. Hoe voel je de impact van die organisatie?
We doen verschillende zaken en hebben tot op heden ook nog steeds een platform. Het is geen platform waar programmatoren komen scouten, maar een soort bindweefsel tussen werk en artiesten, een community van artiesten, en een community van een stad. Fred, Laura en ik vroegen ons af wat je eigenlijk doet tijdens een work-in-progress-fase. Kunsten ontstaan niet in een vacuüm. Dankzij toeschouwers kan werk soms juist natuurlijk groeien. Het sprak ons heel erg aan om dat inzichtelijk en transparant te maken.
Mensen ontdekken dingen per toeval (par hasard). Zo is de naam ook ontstaan. We geven makers de ruimte om te falen in een veilige context. Daardoor nemen ze risico’s die ze anders niet zouden nemen, en daardoor ontdekken ze nieuwe dingen. We plaatsen experimenten bijvoorbeeld in een obscuur deel van de stad of het theater, bijvoorbeeld in de keuken, of het toilet, of een ruimte die vol met materiaal staat, waardoor er een andere dialoog met dat werk ontstaat. Ze horen bijvoorbeeld een galm, en ontdekken zo dat die eigenlijk essentieel is voor wat ze willen vertellen.
We kiezen er bewust voor om parcours te maken waar mensen met verschillende vormen van experiment in contact kunnen komen. Het idee dat je samen iets heel kwetsbaar deelt, maakt het krachtig. Het publiek voelt die kwetsbaarheid. Per parcours bereiken we zo’n 30 a 40 mensen publiek. Het is een breed publiek, niet alleen mensen van binnen de kunstscene, maar ook mensen die niet naar theater komen. Dat zorgt ervoor dat we ook een ontwapenende functie hebben in de stad. We creëren een ontmoetingsplek. Kunst als alibi om samen te komen. Dat vind ik persoonlijk heel mooi.
Daarnaast vind ik dat Par Hasard met het eigen werk telkens iets nieuws toevoegt aan het veld. Werk dat durft te onderzoeken en waarin de verbinding met de samenleving centraal staat. Het is fijn om van elk project en elke samenwerking die we doen veel te mogen bijleren. In de verschillende projecten nemen we tegenwoordig ook verschillende rollen aan, ook dat is erg leerrijk.
Zou je jezelf een voorvechter van inclusiviteit willen noemen?
Ja, ik probeer dat intersectioneel te benaderen. Mijn vertrekpunt is mijn eigen ervaring met validisme, maar ik wil blijven leren over vormen van discriminatie die ik zelf niet ervaar. Ik geloof dat alle ‘ismes’ met elkaar verbonden zijn. Dezelfde structuren die de ene groep onderdrukken, onderdrukken ook de andere. Het feit dat ik zelf met validisme te maken heb, ontslaat me er niet van om ook de machtsstructuren te leren kennen waar ik zelf geen last van heb. Maar ik ben zoekende. Ik ben niet overtuigd van het woord ‘inclusiviteit’.
Waarom?
Ik moest onlangs mee een lezing geven voor de Hogeschool Gent. We hadden het er toen ook over wat het betekent om iemand in te sluiten in een systeem zonder dat systeem te bevragen. Misschien moeten we het ‘vervlechting’ noemen? Ik weet het nog niet.
Er is de laatste tijd meer aandacht voor inclusiviteit. Hoe zie jij dat?
Ik denk dat de samenleving inclusiever is, en ook dat de kunstensector bepleit toegankelijk te zijn. Gaat het snel genoeg? Nee. De kunstensector die denkt dat ze inclusief is, is ook nog niet inclusief genoeg. Cultureel kapitaal wordt net als economisch kapitaal binnen families en milieus doorgegeven, en dat reproduceert ongelijkheid, ongeacht hoe inclusief de sector zegt te zijn. Dat geldt zowel voor kunstenaars als toeschouwers. Ik ben zelf ook kind van hoogopgeleide ouders die samen zijn, geld hadden om naar theater te gaan en mij theater lieten spelen als hobby. De echte structuur achter validisme, racisme, seksisme, en alle andere -ismes is klasse. We moeten ons zelf ook nog meer bewust worden van de bewegingsvrijheid die onze klasse ons geeft.
Hoe was je ervaring bij Dans! Dichter! Dans!?
Ik ben heel blij met de groeikansen die ik daar heb gehad. Ik heb één editie en een herneming gedaan. Die herneming was waardevol, omdat ik kon doorwerken op dingen met de ervaring van de eerste editie achter me. Er ontstaat in zo’n korte tijd een vertrouwen waarin je samen met de muzikanten een sfeer of toon kan laten ontstaan, niet alleen tussen tekst en publiek, maar ook tussen tekst, muziek en publiek. Uit de stukken die ik daar heb gebracht, kun je de muziek niet wegdenken. Ik vind het wonderlijk hoe dat op zo’n korte tijd kan gebeuren.
Op het reünieweekend van Dans! Dichter! Dans! was er ook een soort jamsessie met verschillende opdrachten. Dat vond ik heerlijk om te doen, en verrijkend. Jammen met woorden gebeurt te weinig, terwijl woord ook een instrument is. Er is geen hiërarchie tussen muziek en woord, het is één ding. Binnen Par Hasard zijn er voorstellingen ontstaan door samen aan een document op Google Drive te werken, dat is ook een vorm van jammen. Het is iets wat we eigenlijk niet aangeleerd krijgen.
Jam je ook met Simon Raman?
Ik ben die overgangsfase naar jammen nu aan het maken. Ik moet Simon nog ontmoeten, we hebben nog niet samengespeeld. Het is enerzijds de bedoeling dat muziek de concrete scenes filmischer maakt; en anderzijds wil ik dat hij mee het ritme aanvuurt, uitdaagt en bevraagt. (Redactie: Na de première van haar voorstelling blijkt dat dit proces helemaal anders is verlopen. Simon en Mira hebben een eigen methode ontwikkeld waarin tekst en muziek steeds dichter bij elkaar kwamen. Stukje bij stukje speelde Mira haar tekst, waar Simon vervolgens muzikaal op associeerde. Daarna werd er samen naar een ritme gezocht waarop tekst en muziek samen konden gaan. Op sommige momenten voelden ze samen aan wanneer een stilte belangrijk was, op andere momenten hoe belangrijk de sfeerzetting was. Op die manier ontstond een dialoog.)
Heeft het Dans! Dichter! Dans!-traject iets veranderd aan de manier waarop je nu naar je eigen maakproces kijkt?
Ja. Door de uitnodiging die Dans! Dichter! Dans! stelt, is er iets opengebroken. In mijn theatertaal zit altijd iets absurds, ik speel altijd met taal. Maar Stefanie (redactie: Stefanie Huysmans-Noorts, de artistiek coördinator) heeft me laten zien hoe dat ook ritmischer kan werken. Het heeft mijn liefde voor gedichten teruggegeven, omdat de dingen die ik er gemaakt heb bijna gedichten waren, niet zozeer slam. Dat was ook van betekenis voor het maken van Iemands Zus.
Ik ben sowieso geen schrijver die vijf uur na elkaar kan schrijven of veel pagina’s tegelijk produceert. Ik schrijf in stukjes en brokjes, en zo wordt mijn tekst gevormd. Die stukjes hebben bijna allemaal dezelfde lengte, daar ben ik mee aan het spelen. Dans! Dichter! Dans! heeft me meegegeven dat dat mag, dat het een schrijfstijl is, en dat ik met die stukken en brokken kan gaan spelen. Specifiek voor dit project ben ik heel blij met de coaching van iemand als Laura Vroom, die veel inzicht heeft in de verschillende soorten pennen voor theater. En met een dramaturg, Fred Libert, die je met de wereld verbindt. Ik ben tout court heel blij met dat team.
Hoe vind je het om in het selectieteam bij Dans! Dichter! Dans! te zitten?
Ik vind dat het goed geleid wordt. Er is een heel eigen methodiek. Ik heb ervaring met verschillende selectiecomités in Vlaanderen, ook bij Par Hasard, omdat we daar ook naar work-in-progress kijken. Maar bij Dans! Dichter! Dans! wordt er een opdeling gemaakt tussen motivatiebrieven en de teksten zelf, en dat vind ik verrijkend. Er wordt met veel zorg door het materiaal gegaan, zodat er niets vergeten wordt. Er wordt heel gericht gekeken naar welke stem het podiumlandschap nog mist. Dat vind ik boeiend. Ik leer ook veel over literatuur en over mijn eigen pen door die teksten te lezen. Je voelt waar mensen van wakker liggen als je hun teksten leest. Of überhaupt: dát mensen wakker liggen. En iedereen benadert dat vanuit zijn eigen perspectief.
Het is een intensieve procedure, maar er wordt heel gericht gekeken naar waar Dans! Dichter! Dans! een verrijking kan zijn voor die persoon en omgekeerd. Dans! Dichter! Dans! heeft een specifiek format, en als mensen daar nu niet bij zijn, worden ze onthouden voor later. De feedbackgesprekken zijn met mensen, en dat vind ik mooi. Maar het vraagt een specifieke methodiek, en dus ook een specifieke selectie.
Jullie werken voor Par Hasard ook met een open call. Is er een verschil met de manier waarop we selecteren bij Dans! Dichter! Dans!?
Par Hasard gaat over het kiemen van work in progress, niet specifiek over literatuur. Par Hasard wil een plek zijn waar je mag falen, of waar je op iets nieuws kan botsen. Bij ons gaat het net over wat iemand al heeft gedaan, en wat iemand aan het onderzoeken is. We noemen dat altijd ‘in de kookpot kijken’. Via een parcours gaat iemand van de ene ruimte naar de andere, waar verschillende disciplines te zien zijn. Mensen gaan een dialoog aan met een specifieke ruimte, en kijken hoe die ruimte verrijkend kan zijn voor hun werk.
Als je niet op een podium staat of aan een tekst werkt, wat doe je dan?
Dat vind ik heel moeilijk. Ik kan moeilijk ontspannen. Er is geen harde opdeling tussen werken en niet werken in mijn hoofd. Maar ik merk dat ik de laatste tijd meer aan het lezen ben, en dat is fijn. Ik ben ook meer films aan het kijken. Maar eigenlijk ben ik niet zo goed in alleen zijn.
Welke kunstenaar of voorstelling heeft je het afgelopen jaar het meest geraakt?
Er zijn momenten bij Dans! Dichter! Dans! geweest. Niet om stroop aan de baard te smeren, maar momenten die je niet had kunnen bedenken op voorhand, die zomaar ontstaan en die me enorm hebben geraakt.
Het werk ‘My body as commodity’ van Anne-Laure Vandeputte vond ik heel mooi. ‘Doe de groeten aan de ganzen’ heb ik twee jaar geleden gezien, en daar heb ik het meeste moeten huilen. Ik bleef maar huilen. Die voorstelling gaat over de dood in eigen persoon die voor de deur staat en de broer van iemand komt halen. Het maakte voor mij ineens inzichtelijk wat voor pijn daaronder zit, een pijn die ik eerst niet kende, zonder dat het moraliserend werd. Het was een ravissante voorstelling waarin de dood echt danst, gespeeld door een circusartiest (Danny Ronaldo) die de broer probeert te pakken. Het thema raakt dus ook aan siblings maar op een totaal andere manier.
‘Holy Rosita’ heeft me ook geraakt, maar ik heb moeite met het idee dat het niet door iemand met een beperking is gespeeld. Ik heb verder ook goede films gezien in de cinema. Een Franse film die bijna een natuurdocumentaire was, met veel rust en stilte, waardoor ik enorm ontroerd was.
Ik ben opnieuw gedichten van Tove Ditlevsen aan het lezen. Dat gaat traag. Ze schreef in de jaren zeventig arbeiderspoëzie. Elke vrouw schrijft eigenlijk per definitie arbeiderspoëzie, zegt ze. En ze gaat heel voorzichtig om met woorden. Op een bepaald moment schrijft ze ‘glimlachen om, dromen van, nee, hopen…’. Dat vind ik zo mooi, omdat het gaat over hoe mensen echt spreken, en ook over wat er gebeurt met een droom die je moet bijstellen. Dat is pijnlijk, maar heel treffend.
Luister je naar muziek tijdens het schrijven?
Ja, best veel. Om mij in een gepaste stemming te brengen. Ik heb sowieso omgevingsgeluid nodig om mij te richten, maar soms ga ik ook goed op klassieke muziek. Het varieert echt. De vraag is welke. Ik ben nu veel techno aan het luisteren. De voorstelling zelf wordt geen techno. Ik zet veel muziek van Simon Raman op, die muziek wordt het uiteindelijk wel. En ik ben de laatste tijd ook heel veel naar Eminem aan het luisteren.
Bedankt voor dit gesprek.