Dit interview werd afgenomen op 9 juli en 7 augustus 2026

Interview met Stefanie Huysmans-Noorts: de poortwachter die zelf nog op deuren bonst

spoken word belgië, poetry slam belgië, spoken word nederland, poetry slam nederland,

Interview en eindredactie: Emerald Liu en Tim Thomaes

 

Dag Stefanie. Voor je artistiek leider werd bij Dans! Dichter! Dans!, had je er al verschillende keren opgetreden. Hoe heb je de organisatie leren kennen?

 

Ik ben ooit aangesproken door Tim en zijn toenmalige mede-organisator. Ik had meegedaan aan de schrijfwedstrijd Frappant TXT en stond daarmee in de finale. Daar hebben ze me zien optreden, en toen hebben ze gevraagd of ik wilde meedoen. Dat was toen heel low key, in een cafeetje, en ik werd er ook totaal niet voor betaald. Ik kende het niet, maar het was ook nog maar de tweede editie. Ik heb Dans! Dichter! Dans! dus leren kennen door zelf mee te doen. Daardoor is het heel gelijk verlopen: ik die begon op te treden met mijn eigen teksten, en het ontstaan van Dans! Dichter! Dans!

 

En wat houdt de rol van artistiek leider in?

 

Dat is velerlei. In de eerste plaats ben ik de coach van de performers en schrijvers. Daarnaast zit ik mee in het selectiecomité. Ik ben daar niet de leider van, maar ik zie toe op de procedure. Samen met de anderen heb ik een werkwijze uitgedacht voor de selectie. Ik begin vroeg aan het totaalplaatje te denken, aan wie we samenbrengen in relatie tot het thema bijvoorbeeld. Bij de voorstellingen zelf bewaak ik mee de dramaturgische lijn. En als we naar de hele lijn van Dans! Dichter! Dans! kijken, wanneer we samenwerkingen aangaan of nieuwe dingen bedenken, kom ik er ook altijd tussen om onze artistieke integriteit te bewaken. Dat is voor mij een heel belangrijke rol. Het is handig dat die rol gescheiden is van het zakelijke, omdat er anders mogelijke conflicten kunnen ontstaan.

 

Hoe zou je die artistieke integriteit definiëren?

 

Voor mij zijn dat twee lijnen: het gaat zowel over product als over ontwikkeling. Met ontwikkeling bedoel ik dat wij mikken op een heel fijn proces, van het prille begin van de open call tot het moment dat het op het podium staat. Ik kijk erop toe dat de performers zich veilig voelen om te experimenteren, dat er ruimte is om te experimenteren, en dat de omstandigheden zo zijn dat ze kunnen bereiken waar ik artistiek achter sta.

 

Een van de belangrijkste vragen die we ons moeten stellen: wat onderscheidt ons van andere projecten waar dichters iets met muzikanten doen? Voor ons is dat dat performers loskomen van de tekst zoals die op papier staat. Er moet iets nieuws ontstaan. En om dat te bewerkstelligen moet je kunnen loskomen van je tekst, zodat er op dat moment misschien een nieuwe variant van ontstaat. Ik geloof er ook stellig in dat een tekst schrijven voor papier een andere kunde is dan een tekst schrijven voor het podium.

 

We willen dat er ruimte is voor bepaalde vormen van improvisatie, al ziet die er bij performers anders uit dan bij muzikanten. Sommigen doen dat heel extreem en verzinnen hele nieuwe teksten. Anderen improviseren met intensiteit of ritmiek, of door herhalingen in te bouwen, een stukje terug te pakken. Om dat te kunnen doen moet je je superveilig voelen op dat podium. Alle medespelers moeten echt met elkaar vertrouwd zijn.

 

Kun je je een moment herinneren van iets dat op het podium gebeurde met muzikanten waarvan je dacht: hiervoor doe ik het?

 

Dat denk ik bij elke editie minstens één keer. Maar dat zijn niet echt momenten die ik verbaal kan reconstrueren. Puur als artistiek leider heb ik dat heel fel gehad bij onze laatste editie, omdat die voor mij het toppunt van samenwerking was. Ik had dat gevoel al een paar keer tijdens de repetitiedagen. Aan de hand de intense samenwerking werd er veel geëxperimenteerd, niet enkel vanuit de muzikanten maar ook vanuit de performers. Het zijn die momentjes waarop ik iemand zichzelf zie overstijgen en dat moment van vrijheid zie vinden, waarop alles ineens magisch in elkaar klikt.

 

Een voorbeeld was bij Sevdâ Sögütlü, met het lied dat zij zong en waar haar tekst uit voortvloeide. Dat vond ik een heel krachtig moment. Waar ik ook heel enthousiast van werd, was de samenwerking tussen Sevdâ en Lisa Koo Gautama, omdat we dat nooit eerder hadden gehad: twee mensen die hun werk met elkaar verweven. Daar droomde ik al heel lang van, om op die manier aan de slag te gaan. Dat Lisa ook durfde te improviseren vond ik zeer fijn. Tegelijkertijd was het goed doorgesproken en gerepeteerd, waardoor het niet willekeurig werd. Wanneer ik mensen zie die warm zijn naar elkaar en het werk dat ze samen maken, dan denk ik: daar doe ik het voor.

 

Je hebt zelf ook met muzikanten op een podium gestaan. Wat doet dat met jou? Wat halen zij uit jou wat je niet vindt in je eentje?

 

Eerst en vooral het gevoel dat je niet alleen staat, dat je kan spelen met actie-reactie. Dat komt uit mijn tijd als acteur: iemand geeft iets, je incasseert het en je reageert. Alleen op een podium mis ik dat, met muzikanten wordt het een dialoog. Zij voegen een gelaagdheid toe die ik er met woorden alleen niet in krijg. Mijn teksten zijn soms best intens, en muziek kan die versterken, letterlijk met decibels of met klankkleuren die niet in mijn lichaam zitten. Maar ze kan ook een tegenkleur geven, waardoor het een totaal andere ervaring wordt. Je wordt uitgedaagd om dingen anders te zeggen, want je moet luisteren naar wat zij doen. En, om eerlijk te zijn, is het ook een manier om een beetje rockster te zijn zonder te kunnen zingen of een instrument te bespelen.

Het geeft me ook vrijheid tegenover mijn eigen tekst. Veel acteurs en tekstperformers voelen zich gegijzeld door hun tekst: je speelt hem niet zo vaak, hij zit niet in de toppen van je vingers, dus je blijft op je hoede. Loslaten is gevaarlijk, want misschien ben je hem kwijt. Met muziek erbij, die altijd doorgaat, kun je het je permitteren om hem even kwijt te zijn. Je schiet niet in die angst, en net dan ontdek je soms nieuwe facetten van je tekst.

 

Dat lukt alleen als je je tekst héél goed kent. Dat lijkt tegenstrijdig, maar je kan pas freewheelen als je het vertrouwen hebt dat je hem terugvindt. Dan begint het spel. Dat spel wil ik ook voor wie meedoet aan Dans! Dichter! Dans!, want het doet iets met je als performer: ik kon er staan, ik kon het loslaten, ik was vrij en het bleef staan. Voortgestuwd worden door die klanken is één van de krachtigste gevoelens die ik ooit op een podium heb ervaren. Dat is waanzinnig fijn om te doen.

 

Je organiseerde begin dit jaar een reünie met alle deelnemers van Dans! Dichter! Dans!. Hoe verliep dat?

 

Organiseren vind ik altijd wat stresserend, veel praktische dingen, maar het weekend zelf was super aangenaam. Boeiende workshops, leuke gesprekken. Er hing echt een warm gevoel van wat voor community Dans! Dichter! Dans! kan samenbrengen, en daar heb ik enorm van genoten. Ik vond het ook fijn om te denken vanuit mezelf: wat heb ik eigenlijk nog nodig als performer en schrijver? Zo kan ik mij verplaatsen in de deelnemers, want ik sta vaak in dezelfde positie. Bij de workshop van Creative Field heb ik als artistiek leider dan ook niet gewoon minzaam toegekeken hoe ‘onze pupillen’ meededen, maar heb ik zelf meegedaan. Ik ben zelf ook maker, en ik heb er op die manier ook iets aan. Dat kan enkel omdat wij een vrij horizontale structuur hebben binnen Dans! Dichter! Dans!: er zijn een paar trekkers bij wie de meeste informatie zit, maar qua input is het best horizontaal. Het is dus een dag die mij gevoed heeft, als maker, maar uiteraard ook als artistiek leider.

 

Daarnaast ben je ook maker, schrijfdocent en redacteur. Hoe combineer je al die rollen binnen je praktijk?

 

Ik denk dat er nog veel ruimte voor verbetering is om dat op een fatsoenlijke manier te combineren. Ik vind dat heel uitdagend. Langs de andere kant sluiten die rollen nauw op elkaar aan omdat ik er telkens op eenzelfde manier in sta. Al is het natuurlijk heel verschillend om les te geven, te coachen, of zelf iets te maken In mijn rollen als coach of artistiek leider ligt de focus op de anderen en is het karakter van die rol dienstbaar. In mijn eigen praktijk draait het wel om wat ik maak.

 

Dat vind ik soms een moeilijk evenwicht, omdat beide heel veel energie kosten. Als ik heel fel in mijn eigen schrijfbubbel zit, vind ik het moeilijk om uit te schakelen en te denken vanuit andere makers. Bij Dans! Dichter! Dans! vind ik het heel belangrijk dat het niet mijn artistieke visie is die zij moeten volgen. Het zijn autonome kunstenaars; het gaat eerder om de manier waarop we samen aan de slag gaan. Wanneer ik dan naar teksten kijk of feedback geef, moet ik erop letten dat ik niet als schrijver denk. Als ik daar niet voorzichtig in ben, zou ik mensen beginnen inpassen in mijn artistieke wereld, en niet iedereen hoeft te schrijven zoals ik dat doe. Periodes waarin ik veel lesgeef of als redacteur naar teksten kijk zijn momenten waarbij ik moeilijker mijn eigen stem terugvind bij het schrijven. Dan beland ik in een identiteitscrisis: wie ben ik nu eigenlijk? Dat zal wellicht heel mijn professionele leven een evenwichtsoefening blijven.

 

Je begon je creatieve carrière als actrice. Wat inspireerde je om de eerste literaire stappen te zetten?

 

Eigenlijk schreef ik als kind al, maar literair zou ik dat niet durven noemen, integendeel. Ik ben ergens in het middelbaar gestopt met schrijven. Toen ik toneelschool deed, wilde ik het terug oppakken, maar dat werd om een of andere reden niet gestimuleerd. Het gebeurde gewoon niet. Toen ik daarna taal- en letterkunde studeerde, wilde ik wel beginnen schrijven, maar ik heb nooit gedacht dat het een reële optie was, dus veel gebeurde er niet. Ik probeerde af en toe, maar dan moest ik inspiratie forceren. Ik wist ook niet goed hoe eraan te beginnen.

 

Na mijn studies werkte ik af en toe als actrice, en om geld te verdienen gaf ik toneelles aan de academie. Ik heb ook ooit een theateratelier begeleid in Brussel, met jongeren. Het idee was: je werkt met die jongeren en maakt daar een toonmoment of een echte voorstelling mee. Het liefst liet je dingen van de jongeren zelf komen. Je mocht met bestaand tekstmateriaal werken, maar het was niet de bedoeling om gewoon een regie te doen. Ik zocht tekstmateriaal en vond niets dat ik echt met hen wilde doen. Ik wilde dat ze een tekst hadden waarvan je zegt: dat is nu echt van hen. Niet ‘ah, wij spelen een toneeltje’, zoals op de academie vaak het geval is.

 

In een overmoedig moment dacht ik: misschien moet ik zelf iets schrijven, echt voor hen. Ik had toen jaren niets geschreven. Waarom ik dacht dat ik ineens een volledig toneelstuk zou kunnen schrijven dat een paar maanden later in première ging, geen idee, maar ik heb het wel gedaan. Ik ontdekte dat de strakke deadline, de beperking van ‘dit zijn mijn acteurs’ en een bronidee mij iets gaven om mee te beginnen. In de kerstvakantie, toen ik geen les moest geven, heb ik mij teruggetrokken en ben ik beginnen schrijven. Met een paar zenuwinzinkingen erbij is dat goed gekomen: ik heb een toneelstuk geschreven dat gespeeld is en dat ik zelf heb geregisseerd. Het was een mix van bronmateriaal, mijn eigen fantasie en dingen die tijdens de improvisaties in het theateratelier gebeurden.

 

Rond dezelfde periode, vlak voor die eerste voorstelling, had ik ook een theaterresidentie op het Villanova-festival in Antwerpen, in de Studio, het jaar dat die openging. Je kreeg 500 euro en daarmee mocht je alles doen behalve jezelf uitbetalen. Ik heb daar een maand gezeten en een soort walk-in-installatieperformance gemaakt. Een heel heftig werkproces, en er is uiteindelijk heel weinig tekst uit gekomen. Maar met de tekst die er wél uit kwam, heb ik meegedaan aan Frappant TXT, en zo was ik ineens met literaire performance bezig. Zo is dat stilletjes beginnen rollen. Het schrijven is in mij gekropen, en het acteren, zeker het uitvoerende acteren, is op de achtergrond geraakt.

 

Ondertussen heb je ook een schrijfresidentie gedaan bij het Huis van Herman Teirlinck. Hoe was die ervaring?

 

Ik hou ontzettend van residenties, het is een kans om me even terug te trekken en me op het schrijven te concentreren. Wanneer ik schrijf zit ik in een ander universum dan dat van het dagdagelijkse.

 

Zo’n schrijfuniversum is dus anders dan je dagelijks leven. Hoe zou je dat universum omschrijven?

 

Dat vind ik vooralsnog moeilijk om er woorden aan te geven. Ik zie het wel heel hard voor mij: het heeft hele specifieke materialen en kleuren. Ik denk dat het afhangt van project tot project. Het is heel zintuiglijk, intens, heel lichamelijk, en er zitten wezentjes in. Soms zijn die wezentjes een vorm van mens, soms zijn het diertjes. Het heeft bijna altijd een duister kantje. Dat wil niet zeggen dat het bedrukkend is, dat er geen licht of zuurstof is, maar het heeft een randje, en ik zoek dat graag op. Het voelt ook raar om dat te moeten analyseren, dat vind ik moeilijk.

 

Je zei dat diertjes een rol spelen. Ik las dat er in je nieuwste project motten voorkomen. Wil je daar iets over vertellen?

 

Voorlopig zitten daar motten in, maar dat kan nog veranderen. Ik heb altijd een fascinatie voor motten gehad, maar het komt ook door het lezen van de dagboeken van Virginia Woolf. Zij speelde met het idee om een roman te schrijven die ‘De motten’ zou heten. Ze was helemaal in de ban van zo’n mot die het niet kan laten naar het licht van een kaars te gaan, en ze wilde iets doen met personages die naar dat licht moeten. Ik dacht: oh, wat een goed idee voor een boek. Het ging ook over relaties. En ik vond het heuglijk te ontdekken dat dat boek uiteindelijk nooit zo geheten heeft. Dus dacht ik: misschien moet ik een boek schrijven dat ‘De motten’ heet. Mijn werktitel is eigenlijk ‘Van motten, mitochondriën en van alles daartussen’. Ik ben heel hard aan het spelen met dingen die met een m beginnen. Maar wat ik nu zeg is heel pril. Ik ga niet te veel over dat boek vertellen, want het kan goed zijn dat het idee over twee weken sneuvelt.

 

Ik heb altijd van die kleine fascinaties. Bij een van mijn allereerste projecten was het een molletje, meer specifiek de sterneusmol. Ik was daar compleet mee geobsedeerd en heb toen een voorstelling gemaakt waar dat molletje de hele tijd in voorkwam. Ik heb ook iets met vissen in mijn bundel, en met meikevers. Het molletje zit nu trouwens ook terug in mijn bundel. Ik heb hem opgevist.

 

Is dat de poëziebundel waarnaar je verwijst? Is dat manuscript nu afgerond?

 

Ja, dat begint er stilletjes aan te komen. Ik ben er zo goed als klaar mee.

 

Wil je al een tipje van de sluier lichten?

 

De werktitel, en wellicht ook de definitieve titel, is ‘Wild vlees’. Het is een soort vleselijke coming-of-agebundel geworden, waarin ik regelmatig metaforen uit de anatomie gebruik. Dat was sterk mijn beginpunt. Het is wat verwaterd, maar het zit er nog fel in, omdat mijn poëzie sowieso heel lichamelijk is. Ik ben nog op zoek naar een uitgever, en onder invloed daarvan kan er natuurlijk nog van alles veranderen.

 

To be continued.

 

Dat hoop ik toch. Ik heb er heel lang aan gewerkt. Niet constant natuurlijk, maar in tijd gezien is dat wel eventjes.

 

Je bent er lang mee bezig geweest. Is je proces veranderd doorheen de tijd?

 

Ik denk het wel. Het was voor het eerst dat ik iets schreef dat geen theater was, een groter project, maar zonder deadline. Het eerste idee was een lexicon: van a tot z, waarin elk gedicht een lemma was dat uit een anatomisch handboek had kunnen komen, maar eigenlijk metaforisch over iets anders ging. Dat heb ik snel moeten opbergen, want ik had heel veel lemma’s met een f en een a, en veel minder met andere letters.

 

Ik ben eraan begonnen in 2019, met eind dat jaar een residentie waar ik heel veel heb geschreven. Ik schreef over het anatomische en ben toen ook anatomisch beginnen tekenen. Ik was daar compleet van in de ban, en ik deelde dat heel fel met mijn moeder. Ik had onder meer haar handboeken en haar medisch zakwoordenboek gestolen, en als ik iets getekend had, stuurde ik dat door. Mijn moeder was verpleegster en notoir hypochonder, en ik ben dat zelf ook. Heel dat anatomische zit voor mij op de grens tussen fobie en fascinatie. In die periode nam vooral de fascinatie de overhand.

 

Maar toen kwam 2020. Het was pandemie, en mijn moeder kreeg de diagnose ongeneeslijk ziek te zijn. Een jaar later is ze overleden. Toen is heel dat schip bij mij doorgekanteld naar complete fobie voor alles wat medisch en anatomisch was. In die periode kon ik er heel moeilijk aan schrijven. Ik heb toen één gedicht de hele tijd herschreven. Ik vraag me af of het nu af is; misschien is het een gedicht dat nooit af raakt. Ik heb toen ontdekt dat ik mijn relatie tot het schrijven opnieuw moest uitvinden. Door wat er met mijn mama is gebeurd, zijn er veel rouwteksten ontstaan die niet per se anatomisch waren. Toen is de shift gebeurd. Ik heb nog een tijd vastgehouden aan het idee van een anatomische gids, maar dat heb ik uiteindelijk losgelaten. Het zit er nog altijd in, maar niet elke titel verwijst er nog naar. Ik had op een gegeven moment door dat het gekunsteld begon te worden, dat alles erin moest passen. Sommige teksten hebben dat nog heel fel, dan weet je: dat is geschreven voor 2020. Daarna zijn er nog een paar gekomen, maar die zijn net iets anders.

 

Sinds 2022 ben je ook redacteur bij literair tijdschrift Deus Ex Machina. Hoe benader je die rol?

 

Soms vind ik die rol heel moeilijk. Ik zit in de prozaredactie en ben daar ook de trekker van. Het is vooral praktisch: ik haal de inbox leeg, zet alles in mappen, en ben normaal ook eerstelijnslezer, samen met anderen. Wat ik moeilijk vind, is dat je als redacteur een soort poortwachter bent, terwijl ik het gevoel heb, ook bij Dans! Dichter! Dans!, dat er voor mij zelf nog veel deuren dicht zijn waar ik op zit te bonzen. En ineens ben ik zelf poortwachtertje. Dat vind ik raar. Maar juist omdat ik zelf geen evident traject heb gehad, met veel afwijzing en teleurstelling, sta ik daar heel bewust in. Ik ben mij bewust van die verantwoordelijkheid en probeer er zorgvuldig mee om te gaan.

 

Ik ben die trekker geworden omdat ik erop gehamerd heb dat elke tekst door minstens twee paar ogen gelezen moet worden. Liefst drie, maar dat is niet altijd haalbaar. Bij de geringste twijfel gaat een tekst naar de tweede ronde, waar nog een paar ogen klaarstaan. Zo kan ik zeggen dat de teksten echt in acht worden genomen.

 

Af en toe stel ik ook nummers samen. Dat is heel leuk, maar veel werk. Je bent met twee of drie en je moet het hele nummer gevuld krijgen. Dat staat los van de gewone prozaredactie: we hebben een proza- en een poëzieredactie voor vrije inzendingen, dat is een vast stuk, en de rest is een themagedeelte dat gecureerd wordt door de curators van dat nummer. Ik vind het mooi om te doen, omdat schrijvers je veel toevertrouwen, en omdat je er met z’n allen achter staat en je ervoor engageert.

 

Komt dat poortwachtersgevoel bij zo’n themanummer nog meer naar boven, omdat het op uitnodiging gaat?

 

Ja, en je merkt ook direct je dode hoeken. Je moet maar aan iemand denken, en dat is soms heel willekeurig. Je begint lijstjes te maken, samen met de rest van de redactie, en je wilt het zo gevarieerd mogelijk. Maar er komen veel toevalligheden bij kijken. Het kan gaan om mensen die ik persoonlijk ken, of van wie ik ooit iets gelezen heb. En soms is er iemand die ik ken maar aan wie ik niet gedacht had, en dan kom ik die toevallig tegen en denk ik: oh ja, die moet ik vragen. Was ik die niet tegengekomen, dan had ik er niet aan gedacht. Soms is dat louterend: weten dat het toeval is, en dat het niet betekent dat wie je niet vroeg geen goede schrijver was. Het heeft ermee te maken dat ik ook maar een mens ben. En dat zal andersom ook zo zijn.

 

We hebben ook beperkte middelen, en dat vind ik jammer. Je voelt dat je liever meer tijd zou krijgen, of het anders zou willen doen.

 

Heeft het poortwachterschap veranderd hoe jij zelf op deuren klopt? Stuur je anders in, lees je een afwijzing anders, nu je weet wat er aan de andere kant van zo’n inbox gebeurt?

 

Ik denk dat ik afwijzingen soms iets minder persoonlijk neem, omdat ik nu heel goed weet hoeveel talent er rondloopt. Als poortwachter word ik ermee geconfronteerd dat er veel talent is waaruit je moet kiezen, en dat die keuze van heel veel andere factoren kan afhangen. Soms hangt het af van hoe jouw verhaal in het plaatje past. Soms gaat het om een selectie waarin ze bewust afwisselende dingen naast elkaar willen zetten. Dat neem ik mee bij een afwijzing, wat niet wegneemt dat sommige afwijzingen heel veel pijn kunnen doen.

 

Wat er ook veranderd is: ik heb geleerd over het indienen zelf, en vooral over motivaties, over wat goed werkt in een motivatiebrief. Niet per se wat werkt voor mij, maar ik heb ook gezien hoe het bij andere mensen landt. Wat ik ook heb geleerd: soms moet je gewoon zeggen dat je graag wil meedoen, ook al is er geen open call. Zo kom je in iemands gezichtsveld. Al vind ik dat zelf in de praktijk oprecht ontzettend moeilijk.

 

Stel dat je binnen je creatieve praktijk onbeperkte middelen kreeg. Wat zou je anders aanpakken?

 

Ik zou tijd kopen: grotendeels stoppen met lesgeven en alles inrichten naar mijn eigen ritme. Op momenten dat ik schrijf zou ik een rustig, prikkelarm leven leiden, met een felle regelmaat erin, want ik heb gemerkt dat ik dan goed kan schrijven en er gelukkig van word.

 

En als ik onbeperkte middelen had voor Dans! Dichter! Dans!, zou ik ook veel tijd kopen, zodat we meer in de diepte kunnen werken en nog meer aandacht kunnen investeren in mensen. Voor mensen zorgen, op een zorgzame manier in dat vak staan, daar gaat het over. En dat is zowel zorg voor anderen als zelfzorg. Ik merk dat daar nood aan is, niet alleen bij mezelf.

 

Je bent lid van het feministisch makerscollectief Hyster-x. Merk je die nood daar ook op?

 

Ik denk het wel, dat is een van de redenen waarom het collectief bestaat. Schrijven is zeer eenzaam, en ik vind het fijn om af en toe iets collectiefs te doen, op een gelijke manier. Want bijna alle keren dat ik met anderen in interactie ben, heb ik een faciliterende rol: bij het lesgeven, bij Dans! Dichter! Dans! als coach, bij Deus Ex Machina. Hoewel ik graag alleen ben, juist bij het schrijven, heb ik ook nood aan dat collectieve verhaal binnen mijn makerschap.

 

Je hebt al verschillende projecten gedaan met Hyster-x. Wil je daar iets meer over vertellen?

 

Wat mij het meest is bijgebleven, is wat we op Theater Aan Zee hebben gedaan. Dat was voor mij een gigantische mijlpaal. Het gaat terug tot mijn toneelschooltijd, toen Theater Aan Zee het summum was. Mijn geschiedenis op die school is niet zo goed geëindigd, dus dat ik daar toch heb mogen staan, was superfijn. De performance die ik er bracht, is ontstaan uit een samenwerking: er was een expo van een van de andere leden, Ilke Cop, en ik heb een performatief antwoord gemaakt op een beeldhouwwerk van haar. Die tekst zou ik nooit geschreven hebben als haar beeld er niet was geweest. Dat is wat zo’n collectief doet: je komt op iets waar je anders nooit op zou zijn gekomen. Ik ga niet buiten mijn universum, maar ik zoek er een andere ingang naartoe. Ik zou daar nooit beland zijn zonder iets als Hyster-x. Samen maakt dat collectief ons sterker.

 

Je geeft ook nog schrijfles aan de academie De Poel in Gent. Wat heb je van je leerlingen geleerd over schrijven?

 

Wat ik van hen leer, en dan bedoel ik vooral de beginners, is hoe belangrijk het is om het plezier heel bewust terug op te zoeken. Ik merk bij hen dat het plezier soms verdwijnt zodra ze wat serieuzer met hun werk bezig zijn, en dat kan een precair moment zijn in de route die ze afleggen. Het geldt ook voor schrijvers die al verder staan. Dan denk ik: oh, je bent enkel bezig met afwerken en beter worden, maar zoek af en toe dat plezier terug op, want anders hou je het niet vol en krijg je een hekel aan schrijven. Het moet niet altijd leuk zijn, en het is ook belangrijk om door te duwen op momenten dat het niet leuk is. Maar soms moet je het plezier wel opzoeken. Het is niet de bedoeling dat je er een afkeer van krijgt. Dat zou jammer zijn.

 

En wat brengt de toekomst verder nog?

 

Als ik dat eens wist. Ik heb enorm het gevoel dat ik op een kruispunt sta met alles wat ik doe. Er is het kruispunt met Dans! Dichter! Dans!, waar we goed aan het kijken zijn wat we nu doen. In mijn eigen leven heb ik veel lesuren opgegeven om te zien wat het met mij doet, of ik mijn schrijfpraktijk dan levend en regelmatig kan houden. En met mijn schrijven zit ik op een punt waarop er wat gesprekken zijn met uitgevers. Er is interesse, maar het is niet zo gemakkelijk. Als het van mij afhangt, ga ik publiceren, maar het hangt niet alleen van mij af. De zeer nabije toekomst zegt: eerst die bundel afwerken, de dingen schrijven die nog in de steigers staan, en mijn roman schrijven. Verder kan en durf ik nog niet goed te kijken.

 

Bedankt voor dit gesprek!

Wie les wil volgen bij Stefanie in de Poel in Gent, stuurt een mail naar stefanie.huysmans@kunst-academie.be. Er is nog één plek beschikbaar op dinsdag.